CONCEPT BOOK ON SADAJA
DE ZONNEKRONIEK
Report this book
nog te maken
View book
Keep me informed when this title goes on sale
Already have an account? Log in
Log in to save
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
nog te maken
PREVIEW
“1 Bij de waterpoort stonden er twee waar er één hoorde te staan. Aran bleef staan. De voorste kende hij. Die heette Puni en die stond daar zes jaar en die had twee winters terug een dochter gehad die het bijna niet had gehaald. “Puni.” “Heer.” “Er staan er twee.” “Ja, heer.” Puni keek recht vooruit, naar het water. “Er is vanmiddag een nieuw rooster gekomen.” “Van wie?” “Dat weet ik niet, heer.” Aran keek naar de tweede. Die was jong en hield zijn speer op de verkeerde schouder en keek naar de grond bij Arans voeten. Aan zijn sandalen zat gele klei. Zulke klei ligt boven de bocht en die ligt nergens in deze stad. “Hoe heet je?” “Nen, heer.” “Van welke post?” De jongen keek naar Puni. Puni keek naar het water. “Goedenavond,” zei Aran. Hij liep de poort door. De hond van de poort blafte niet. De hond blafte niet voor hem sinds hij een pup was en dat had hem elf jaar vlees ge-kost. Aran boog zich en legde zijn hand op de kop van het dier. Het keek de binnenhof over naar de zuidgang en het bleef daarheen kijken toen Aran doorliep. In de keuken stond de tweede kok bij de oven en niet de eerste. “Waar is Renu?” “Ziek, heer.” De jongen keek naar zijn handen. “Sinds vanmiddag.” “Wat heeft hij?” “Dat weet ik niet, heer. Zijn vrouw heeft hem gehaald.” Er kwam een jongen langs met een blad met twee kannen erop en die bleef staan. “Heer.” “Ubi.” Aran ging opzij. “Is je moeder er weer bovenop?” “Ja, heer.” “Ga maar.” Renu was zestig en had in veertig jaar twee dagen gemist, allebei toen zijn zoon werd begraven. Aran bleef bij de deur staan tot hij er iets gewoons in vond en vroeg toen of er nog brood was. Er was brood en het was het goede. Kesa bracht het zelf en meer dan hij had gevraagd: ge-droogde vis, honing, bier dat was aangelengd zoals hij het hebben wilde. Het linnen op de bank was pas verschoond en hij zag de vouwen er nog in zitten. “Ik heb je pas morgen verwacht,” zei ze. “Het water zat mee tot de bocht en daarna niet meer. We hebben hem leeggehoosd van de derde bocht tot hier.” Hij ging zitten en trok zijn sandalen uit. “Zeg tegen de werf dat hij eruit moet.” “Dat is gezegd. De schipper is er vanmiddag zelf heen ge-gaan.” Kesa zette het blad neer en bleef ernaast staan. “Eet.” Hij at met beide ellebogen op het hout, zonder ergens naar te kijken. “Zeg dat je hem zijn land hebt gegeven.” “Ik heb hem zijn land gegeven. En twaalf oogsten uit onze eigen schuur.” Hij scheurde het brood. “De rentmeester heeft er drie dagen niet van geslapen en dat gun ik hem.” “Twaalf jaar had die man erover gedaan.” “Hij had zijn stukken in een doek. Die doek rook naar hem.” Aran haalde zijn schouders op. “Dan geef je hem zijn land.” “Mera,” zei hij met zijn mond vol. “Wanneer komt ze?” “Over drie dagen. Als de wind blijft, twee.” “Ze laat de najaarslevering liggen als het te lang duurt.” “Ze laat niets liggen.” Kesa nam het lege blad aan voordat hij het aangaf. “Ze is er te lang. De schrijver van die gouw kan niet rekenen en zij gaat niet weg voordat hij het kan.” “Dan zit ze daar de winter nog.” “Dan zit ze daar de winter nog,” zei Kesa, “en dan komt ze terug en dan vertelt ze jou drie avonden lang over een schrij-ver die niet kan rekenen.” Aran lachte en veegde zijn hand aan het linnen af en zag te laat dat het schone was. Kesa zei er niets van en anders zei ze er altijd iets van. Ze deed het linnen over haar arm en bleef bij de tafel staan met het blad in haar andere hand. “Is er iets?” zei Aran. “Nee.” “Zeg het als er iets is. Ik ben moe en ik hoor het morgen toch.” Kesa keek naar de tafel tussen hen in en deed haar mond open. In de gang deed iemand een deur dicht. “Het water in het washuis is warm gehouden,” zei ze. “Ga voordat het koud is.” Ze ging. Bij de deur draaide ze zich om en keek nog één keer naar hem en toen ging ze echt. Aran stond op. Zijn rug deed pijn van de boot en zijn han-den roken naar touw. Het bord liet hij staan. De lamp in de zuidgang brandde niet. Hij liep hem in het donker door. Halverwege hield hij zijn hand voor zijn gezicht en zag hem, zoals iedereen dat kan en niemand het doet. Hij dacht aan de sergeant met de halve hand die op de zuidgrens aan een tafel had gezeten met vier jongens eromheen. Die man had het één keer gedaan bij een overval op een put en daarna had hij in het donker zijn eigen handen niet meer kunnen vinden. Arans vader had die avond gezegd dat het geen verhaal was. Hij had erbij gezegd dat het één keer kan. Aan het eind van de gang kwam het licht van het washuis hem tegemoet over de natte steen. Ze kwamen met veertien man en dat was niet genoeg. De eerste kwam het washuis binnen terwijl Aran zijn kleed nog in zijn hand had. Hij kwam met een mes en te snel over de drempel. De steen was nat en er lag zeep op en zijn voorste voet ging weg. Aran nam zijn pols, draaide hem naar buiten en brak hem over de deurpost. Er kraakte iets. De man zakte door zijn knieën met een geluid dat hoger was dan zijn stem en het mes kwam op de natte steen terecht. Aran raapte het op. Hij kende het niet. Het was kort en het kwam van boven de bocht, met de greep in twee stukken leer gewikkeld. Het was gekocht en niet uitgedeeld. De tweede kwam over de eerste heen. Aran zette het mes onder zijn sleutelbeen en duwde tot zijn vuist tegen bot kwam. De man sloeg beide armen om hem heen en hield hem vast. Warm bloed liep over Arans pols en over zijn heup. Het mes zat vast tussen rib en rib. Hij liet het zitten en duwde de man van zich af en die ging tegen de muur en bleef daar half zitten met zijn ogen open. In de gang stonden er nog twaalf. Ze wilden hem heel. Dat zag hij aan de eerste twee: geen speren, korte messen, niemand die had geroepen. De derde kwam met zijn mes laag naar de zij en de man achter hem sloeg de arm omhoog voordat het vlees raakte. “Niet steken,” zei die man. “Je hebt het gehoord.” Hij had geen wapen en geen kleren en geen deur achter zich. Hij ging de gang in. Ze kwamen met drie tegelijk en de gang was breed ge-noeg voor twee. Hij nam de linker bij het haar en sloeg zijn hoofd tegen de muur, één keer, met alles wat er in zijn schouders zat. Hij liet hem vallen en pakte de tweede voor-dat die zijn arm terug had. Hij kreeg hem bij de keel met bei-de handen. De man sloeg hem twee keer in de zij en de derde keer haalde hij niet. “Genoeg,” zei iemand achter hen. Aran drukte door tot er iets meegaf en drukte daarna nog. De derde stond in de gang en kwam niet dichterbij. Hij was jong. “Semu,” zei Aran. De jongen zei niets. “Semu. Je hebt vorig jaar aan mijn tafel gegeten. Ik heb je moeder haar dak laten maken.” “Dat weet ik, heer.” “Ga aan de kant.” Semu ging niet aan de kant. Hij stond in het midden van de gang met zijn mes voor zich uit en zijn arm trilde tot in zijn schouder. Achter hem kwam een man naar voren die groter was en die er langer over had nagedacht. De man zette zijn hand op Semu’s rug en duwde hem vooruit. Semu kwam en hij kwam slecht. Aran nam het mes af zonder ernaar te kijken en had de jongen bij zijn kleed en had hem tegen de muur en had de punt onder zijn kaak. Hij hield hem daar. Hij deed het niet. “Weg,” zei hij. Hij duwde hem de gang in, naar de trap toe. De man achter Semu stak hem in zijn rug voordat hij drie passen ver was. Hij deed het zonder er iets bij te zeggen. Semu ging op zijn knieën en toen op zijn zij. Hij bleef ade-men, snel en hoog. Hij bleef daar ademen de hele tijd die er nog over was. Toen kwamen ze allemaal tegelijk. Aran raakte er twee voordat ze hem raakten. Daarna werd het smerig. Iemand kreeg zijn arm en iemand anders zijn haar en er kwam een knie in zijn zij die iets in hem verzette wat er niet verzet hoorde te worden. Hij sloeg met het korte mes waar hij lichaam voelde en hij voelde het driemaal er-gens in gaan. Er kwam een elleboog tegen zijn oog. De gang ging scheef staan. De vierde sneed hem open van de schouder tot halverwe-ge de rug. Aran hoorde zichzelf iets zeggen dat geen woord was. Hij ging door één knie. De hand die het mes had, deed het niet meer en het mes lag ergens en er was geen tijd om te kijken waar. Achter zich, op de muur, zag hij licht bewegen dat er niet hoorde te zijn. Het kwam uit de snee. Het liep eruit zoals bloed eruit loopt. Het liep over zijn rug naar beneden en het bleef op de steen liggen waar het viel. Het ging niet terug. Hij voelde het gaan en de snee deed pijn en dit niet. Het was het koudste dat hij ooit had gevoeld en het gebeurde aan de binnenkant en het bleef gebeuren. Hij zette zijn tanden op elkaar en spande alles wat hij had en het hielp niets. Iemand achter hem lachte, kort. Aran kwam overeind. Er stonden er negen in de gang. Hij deed het. Het kwam uit zijn hals en uit zijn borst en uit de rug van zijn handen. Het kwam ook uit de snee en dat deed wat de snee niet had gedaan. De gang werd wit tot in de hoeken. Er waren geen schaduwen meer en toen waren er te veel. De man die het dichtst bij hem stond, was zesentwintig en heette Kanu. Hij bracht zijn onderarm omhoog voor zijn ogen. Aran zag het van een halve pas: de arm ging omhoog en het licht ging er dwars doorheen en het kwam er aan de andere kant weer uit. Kanu had zijn mond al open en hij hield hem open en er kwam een halve tel niets uit. Toen begon hij te schreeuwen en hij schreeuwde drie keer hetzelfde woord en het woord was ogen. Achter Kanu ging er een op zijn knieën met beide handen op zijn gezicht. Een derde draaide zich weg en liep in de speer van de man naast hem, die de speer niet eens geheven had. Die man liet de speer los alsof hij hem gestolen had. Twee anderen gingen achteruit tot ze de muur vonden en bleven daar staan met hun gezicht naar de steen. Aran ging erdoorheen. Hij nam de vierde bij de kaak en zette hem met zijn ach-terhoofd tegen de steen tot het meegaf. Hij nam een mes uit een hand die het niet meer hield en de hand liet het gaan zonder tegenstand. Hij stak twee keer laag en hij hoefde niet te kijken wie het was. Hij liep door naar de trap. Er stond er een op de onderste tree met zijn arm voor zijn gezicht en Aran sloeg hem er dwars doorheen en de man ging de trap op zoals dingen een trap op gaan. Toen was het op. Het ging weg zoals water uit zand gaat. Het ging weg ter-wijl hij zijn arm ophief voor de volgende. Hij hief zijn handen op om ernaar te kijken en ze waren dof. Ze bleven dof. Hij wist zonder dat iemand het hem ooit had verteld dat er nooit meer iets in zou komen. De gang was donker. Bij de trap brandde één lamp en die had er de hele tijd gebrand. Barek stond eronder met zijn ogen dicht. Hij had ze dichtgedaan voordat het kwam. Hij deed ze nu open en hij keek naar de gang en naar de mannen op de vloer en naar zijn broer, in die volgorde. “Nu,” zei Barek. Er kwamen er vijf. Ze kwamen niet allemaal tegelijk en ze kwamen niet snel. De eerste nam zijn linkerarm en draaide hem op zijn rug en Aran ging mee. De tweede sloeg hem in de nierstreek met de knop van een mes, twee keer. Een derde ging op zijn kuit staan. Toen hij nog één keer probeerde overeind te komen, zette iemand een voet op zijn hand en drukte tot er iets ging. Ze trokken zijn hoofd achterover aan zijn haar zodat de rest bij zijn keel kon. Ze bonden zijn polsen op zijn rug met leer en niet met touw. Op drie passen lag Semu nog te ademen. Barek kwam naast zijn broer op zijn hurken zitten. Hij was buiten adem van niets. “Hoe lang?” zei Aran. “Twee jaar.” “Twee jaar.” Aran spuwde. Er zat een tand bij. “En je hebt in die twee jaar aan mijn tafel gegeten.” “Dat heb ik.” “En je vroeg om de honing.” “Ik vroeg om de honing.” Barek zei het zonder er iets bij te doen. “Je gaf hem aan.” “Wie nog meer?” “Dat vertel ik je niet.” “Waarom niet?” “Omdat je het aan iemand kunt vertellen.” Barek keek de gang in, naar de mannen op de vloer. Zijn gezicht deed daar niets bij. “Je denkt nu dat dat niet zo is. Ik heb mannen gezien die het aan een muur vertelden.” Aran haalde adem en het deed aan de linkerkant iets wat het rechts niet deed. “Kesa.” “Die weet het sinds gisteren.” Barek keek op. “Ze staat achter je.” Aran draaide zijn hoofd zo ver als het leer toeliet. Kesa stond in de deur van de keukengang met een lamp in haar hand die ze niet nodig had. Ze had het linnen nog over haar arm. Ze keek naar hem en ze kwam niet dichterbij en ze ging niet weg. “Kesa,” zei Aran. Ze zei niets. “Vanavond aan tafel. Je wilde het zeggen.” Ze zei niets. Ze verzette haar hand aan de lamp en zette hem terug waar hij had gezeten. Barek keek van de een naar de ander en wachtte tot het klaar was. “Mera.” “Drie dagen varen. Dat is niet toevallig.” Barek streek met zijn duim over de rand van zijn eigen mes zonder het te trek-ken. “Ze is er over drie dagen niet meer.” Aran zei iets tegen hem in het plat van de gouw waar ze allebei geboren waren. Het was kort en het was niet mooi. “Ja,” zei Barek. “Waarom?” “Dat wil je niet horen.” “Ik heb de tijd.” Barek ging verzitten op zijn hurken. “Adu,” zei hij. “Dat is een dorp aan de tweede geul van de tiende. Vierentwintig huizen. Dat is er niet meer sinds de zomer. Turi, aan dezelfde geul, elf huizen, ook niet meer. Se-pa is er nog en daar wonen negen mensen die er honderd-veertig waren.” Hij hield in. “Dat zijn er drie. Ik heb er zes.” “Er is om wachten gevraagd voor die geul.” “Er is drie keer om gevraagd. En drie keer afgewezen, want de gouw moet eerst haar eigen mannen leveren en de gouw heeft geen mannen over.” Barek keek naar hem. “Dat is de regel en de regel is niet fout. Dat heb ik zelf twintig jaar gezegd.” “Dan is het de raad.” “Er liggen zeven verzoeken bij de raad,” zei Barek. “Ik ken de dagen. Er staat onder alle zeven jouw naam. Je hebt ze alle zeven gelezen en je hebt ze alle zeven doorgestuurd en dat is precies wat er hoort te gebeuren.” “Er is een raad. Ik ben geen koning die alleen beslist.” “Nee. Daarom ben je ook geen koning die iets beslist.” Aran wilde iets zeggen en zei het. “Ik heb die grens twee jaar met vier compagnieën gehou-den waar er acht hoorden te staan,” zei Barek eroverheen. “Ik heb mannen naar huis gestuurd om de oogst te halen en ik heb ze zelf teruggehaald toen het misging. Deze week heb je drie dagen aan één pachter besteed. Twaalf jaar wachten en jij geeft hem zijn land terug uit je eigen schuur. Dat is een goed vonnis. Ik zou het ook hebben gegeven.” “En dan?” “In diezelfde drie dagen zijn er aan de zuidrand veertig mensen weggehaald. Die komen niet terug. Dat weet ik om-dat het bericht gisteren is binnengekomen en ik heb het gele-zen terwijl jij op het water zat.” Aran zei niets. “Zeg het maar,” zei Barek. Aran zei niets. “Dat is het,” zei hij toen. “Dat is werkelijk alles wat het is.” “Dat is alles wat het is.” “Zeg dat over twintig jaar nog een keer hardop en kijk hoe het klinkt.” Barek gaf daar geen antwoord op. Hij stond op en veegde zijn handen af, hoewel er niets aan zat. “Dus je maakt me dood.” “Ja.” “En dan is de zuidgrens opgelost.” “Nee,” zei Barek. “Dan is er iemand die hem kan oplossen. En ik kan je niet doodmaken. Dat is het hele probleem. Ik heb het laten uitzoeken bij mensen die het weten en ze zeggen alle drie hetzelfde. Je gaat niet rotten. Ik kan je in de grond stoppen en over honderd jaar graaft er iemand en dan is er niets aan je te zien. Dat kan ik niet gebruiken.” Hij keek op de gang neer. “Dus doen we het anders.” Op het voorplein stond de wacht in de rij waarin de wacht ’s nachts staat. Er stonden er negen, met de speren rechtop. Ze keken recht vooruit terwijl vier man de koning van Kamet de trap af droegen met zijn polsen op zijn rug. De tiende stond aan het eind van de rij en die keek wel. Die deed twee passen naar voren. Het was Puni. “Niet doen,” zei de man naast hem, zonder zijn hoofd te draaien. Puni deed nog een pas. Hij had zijn speer horizontaal en hij had geen idee wat hij ermee ging doen. “Puni,” zei Aran, van de trap. Puni bleef staan. “Je dochter.” Puni stond stil met de speer horizontaal en hij bleef zo staan terwijl ze zijn koning langs hem heen droegen. Toen zette hij de speer rechtop en ging terug in de rij en keek recht vooruit. De kist stond op twee schragen naast de put. Cederhout uit het noorden, zilver langs de randen. Naast de kist stond een kruik pek in de as van een klein vuur dat de hele avond had gebrand. Aran zag hem toen ze hem de trap af droegen. Hij begon te trekken aan het leer. Hij trok tot het in zijn polsen sneed en toen trok hij door en er ging er een op zijn benen zitten. Hij schreeuwde. Het was het eerste dat hij die nacht schreeuwde en het was geen woord en het droeg over het hele plein en over de muur heen de stad in. Er kwam geen mens. “Twee jaar terug lag je drie dagen ziek,” zei Barek. “Je hebt niets gegeten en je hebt niet geweten wie er in de kamer stond. Toen hebben we je gemeten.” Ze legden hem erin op zijn rug, met zijn handen onder zich. Zijn hielen raakten het ene eind. Zijn kruin raakte het an-dere. Zijn schouders lagen tegen beide zijkanten en er was geen vinger ruimte over. Het hout was koud en het rook naar ceder en onder de ceder rook het naar niets. Barek boog zich over de rand. “Zeg het nu als je iets te zeggen hebt.” Aran keek naar hem op. “Je hebt je eigen naam nog niet gezegd vanavond,” zei hij. “Niet één keer. Je hebt mijn naam niet gezegd en die van jou ook niet. Je hebt het over de raad gehad en over de zuidrand en over dorpen die ik niet ken. Je hebt de hele avond niet ge-zegd wie er in die kist gaat en wie hem dichtdoet.” Barek zei niets. “Zeg het,” zei Aran. “Wat?” “Zeg wie het doet.” Het bleef een tel stil op het plein. De man met de hamer stond te wachten met de hamer omlaag. “Ik doe het,” zei Barek. “Zeg de rest.” Barek richtte zich op. “Deksel,” zei hij. Er viel geen deksel. Er kwam hout op hout, aangedrukt, met aan elke hoek een man die wist waar hij stond. Het laat-ste dat Aran zag was de rand van de put en daarboven niets, want er was die nacht geen maan. De eerste spijker ging erin bij zijn schouder. Het geluid zat in zijn kaken en het kwam door het hout heen in zijn tanden. Het kwam vier keer voor die ene spijker. De tweede ging erin bij zijn heup. Bij de derde begon Aran te praten. Hij praatte door de vierde en de vijfde heen. Hij zei tegen zijn broer wat een man zegt en toen zei hij het opnieuw en toen zei hij namen, van mannen die hij kende en die hier niet waren. Buiten ging de hamer door op de maat waarop een man werkt die het rustig aan doet. Bij de achtste hield hij op. Ze gingen er elf in. Daarna kwam er iets over het hout dat geen hamer was. Warm. Het rook naar pek en het liep in de naden en het gie-ten hield niet op. Er kwam een streep van over zijn borst waar het door een spleet naar binnen kwam en het brandde en hij kon er niet bij. Toen tilden ze hem op. Ze droegen hem het plein af en de trap naar het water af, met zes man. Eén van hen struikelde op de derde tree van onderen en er werd gevloekt en er werd bijgesprongen. Hij lag in het donker naar dat vloeken te luisteren. Ze zetten hem op een boot. Hij hoorde de boot los komen van de steen en hij hoorde de riemen en hij hoorde iemand vragen hoe ver en hij hoorde het antwoord niet. De boot voer een tijd. Het was langer dan hij had gedacht en veel korter dan hij het nodig had. Aran deed zijn ogen open in het donker en er was niets. Hij had zijn hele leven bij een gedoofde lamp zijn eigen handen kunnen vinden. Hij had als kind onder een deken ge-legen om ernaar te kijken en zijn moeder had hem eronderuit gehaald. Hij bracht zijn gezicht naar zijn schouder toe, zo ver als het hout toeliet. Hij keek naar de plaats waar zijn schou-der moest zijn. Er was niets. Hij deed het nog een keer en hij deed het nog een keer. De derde keer wist hij dat hij het niet deed om te kijken. Boven hem hielden de riemen op. Het hout ging over een rand. Daarna sloeg het water tegen de kist als tegen een deur. Het kwam onder zijn rug binnen, koud, zonder haast, langs de naad waar het pek niet had gepakt. Het liep om zijn heup en om zijn nek en het stond in zijn oren voordat hij het op zijn gezicht had. Met het water kwam het geluid van het water. Het is dichterbij en het is overal tegelijk en het houdt geen maat. De kist ging niet meteen onder. Het duurde tot het water hoog genoeg stond om het van hem over te nemen. In die tijd kreeg hij zijn handen onder zich vandaan. Hij deed er lang over. Hij moest zijn schouder uit zijn kom draaien om er ruimte voor te maken en hij deed dat zelf, te-gen de zijkant van de kist aan. Het geluid dat hij daarbij maakte hoorde niemand. Het leer had zich vol water gezogen en het was strakker dan het was geweest en zijn polsen wa-ren nat van iets anders dan water. Hij kreeg ze los. Hij zocht de naad met zijn duim. Het water stond boven zijn mond. Hij bleef zoeken.”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
—
☆☆☆☆☆
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
Kronieken
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3