BETA READER BOOK ON SADAJA
DRAKENBLOED Boek 2
Report this book
Twee broers op een dak in de onderstad van Solvarath. De ene draagt een bijl. De andere een schrift. Samen willen ze de wereld veranderen. Ze weten nog niet dat ze hem zullen breken. Draven is zeventien en…
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
Twee broers op een dak in de onderstad van Solvarath. De ene draagt een bijl. De andere een schrift. Samen willen ze de wereld veranderen. Ze weten nog niet dat ze hem zullen breken. Draven is zeventien en vecht met zijn vuisten. Malchor is twaalf en vecht met zijn hoofd. Fen organiseert de onderstad met één arm en een halve glimlach. Bren snijdt houten draken voor kinderen en spreekt alleen de waarheid. Aldric draagt de last van dertig jaar dienst aan een systeem dat hij veracht. En Elara — de vrouw met het Weefsel in haar bloed — voelt de wereld sterven onder haar handen. De revolutie begint in een kelder. Met een kristal dat niet klopt. Met een meting die alles verandert. Met de ontdekking dat het systeem niet alleen sorteert, maar doodt — langzaam, meetbaar, met 2,3 procent per decennium. Maar revoluties hebben prijzen. De prijs is Fen, die verdwijnt naar het westen met een brief en een belofte. De prijs is een troonzaal vol bloed. De prijs is een broer die kiest tussen zijn geweten en zijn berekeningen, en die ontdekt dat de wiskunde altijd wint. Broederbloed is de oorsprong. Het verhaal van de families die alles bouwden — en van de man die alles brak. Een prequel dat de fundamenten legt voor een trilogie over de vraag: als je de wereld probeert te redden en het verkeerd gaat, ben je dan held of schurk? Drakenbloed — Boek 2
“PROLOOG De man naast Draven had geen naam meer. Hij had er een gehad — twee minuten geleden, toen hij nog stond, toen hij nog een gezicht had dat eruitzag als een gezicht en niet als wat een Koningskling achterliet als hij zijn klauw door iemand haalde die niet snel genoeg was om te bukken. De man was bakker geweest. Draven wist dat, omdat hij het schort nog droeg, smerig en scheef en bedekt met iets dat geen meel was, en omdat hij twee uur geleden naast Draven had gestaan op de barricade bij het Terrasplein en had gezegd: ik bakte brood voor die klootzakken, laat me nu vechten. Hij had gevochten. Negentig seconden. Draven had geen tijd om te kijken. Geen tijd om te voelen. De straten van de bovenstad waren een slachthuis geworden — rauw, vies, rommelig. De man links van Draven — een leraar, zestig, met een bril die scheef zat en met het energiegeweer dat hij vasthield. De vrouw die “links” had geschreeuwd heette Mira. Niet Dravens zus — een andere Mira, zesentwintig, met de handen van iemand die stof weefde en die nu iets anders weefde: het verschil tussen leven en dood, een fractie van een seconde, de beslissing om te schieten of te rennen die ze nam met de snelheid die mensen hadden als de alternatieven op waren. Ze schoot. De energiepuls die de Koningskling raakte in het vizier — niet hard genoeg om te doden, hard genoeg om hem een seconde te verblinden. De seconde die Draven nodig had. “Links!” schreeuwde iemand — een vrouw, jong, met een energiegeweer dat te groot was voor haar handen en dat ze toch vasthield met de grip van iemand die had besloten dat loslaten geen optie was. Een Koningskling landde op de kruising, vijf meter van de barricade. De transformatie was snel en schoon — het donkergroene pantser dik en glad, het gouden zegel op de borstplaat, de ogen achter het gevechtsvisier leeg en kalm. Draven pakte de bijl steviger vast. Een gevechtsbijl, gekocht op de zwarte markt drie jaar geleden, betaald met geld dat Fen had gestolen van een belastingkantoor. Niet mooi. Niet licht. Maar scherp op de manier waarop alleen dingen scherp waren die je elke avond sleep, omdat je wist dat je leven ervan afhing. De Koningskling draaide naar de barricade. Zijn staart — drie meter, gepantserd — zwiepte door het puin. Draven dook. Luchtdruk boven zijn hoofd. Splinters van de barricade. De schreeuw van iemand die niet had gedukt. Draven kwam omhoog. Rende. De bijl hoog. Hij was tweeëntwintig en hij was geen soldaat. Hij was een jongen uit de onderstad die had geleerd dat je dingen pakte als je ze wilde hebben en dat niemand ze voor je kwam brengen, en wat hij nu wilde was het stuk onbeschermde huid tussen de nekplaten van een Koningskling die niet verwachtte dat iemand in mensvorm dichtbij genoeg kwam om te raken. De bijl raakte. Nat geluid. De Koningskling maakte een geluid dat te menselijk was voor een machine en te mechanisch voor iets dat ooit mens was geweest. Hij viel. Zwaar. Grond schudde. Draven stond op het lichaam van een Koningskling met een bijl in zijn handen en bloed op zijn gezicht en hij dacht: dit is niet genoeg. Het twintigste gevecht vandaag. De stad is nog niet van ons. Het paleis staat nog. Er sterven bakkers en monteurs en onderwijzeressen terwijl ik hier sta en vecht zoals ratten vechten: van onderaf, met hun tanden, zonder pantser. “Draven.” Malchors stem in zijn oor. “Derde bataljon heeft de energiecentrale. Als ik de hoofdlijn afsluit: paleis verliest zeventig procent schildcapaciteit.” “Doe het.” “Stad verliest dertig procent. Verwarming. Water.” “Ik weet het. Doe het.” Eén seconde stilte. De lengte van Malchors berekening. Zo werkten ze: Draven nam de beslissing. Malchor rekende de prijs uit en voerde het uit, ondanks de prijs. “Gedaan,” zei Malchor. En zijn stem klonk alsof er iets in was gestorven. De stad schudde. De gouden energielijnen die door de straten liepen — het zenuwstelsel van Solvarath, het symbool van alles wat de oude koning beweerde te beschermen — flikkerden. Dimden. Sectie voor sectie. Straat voor straat. De gloed die Solvarath ’s nachts deed schijnen als een kroon in de bergwand stierf als een kaars die je dichtknijpt. Draven transformeerde. De pijn was er altijd, maar vanavond was de pijn iets anders — niet het gecontroleerde, gemeten, door-de-Transformatieklok-goedgekeurde proces dat het systeem voorschreef. Dit was rauw. Het drakenbloed barstte door hem heen. Het lichaam groeide met geweld. Zwart. Breed. Het zwart van diepte met gouden lijnen die erdoorheen trokken als runen die zichzelf schreven. Zijn draakvorm vulde de straat — te groot voor de gebouwen, vleugels die langs gevels schraapten, poten die het plaveisel indrukte. Massief. Zwart met goud. Pantserplaten dik als stadsmuren. Het kanon op zijn schouder dat gloeide. De bijl aan zijn flank — de dubbelhandige bijl die in draakvorm was meegeschaald, het staal dat zwart was met gouden runen die pulseerden. Hij vloog. Laag over de bovenstad, over de vuren en de barricades en de lichamen. Mensen die vochten. Mensen die niet meer vochten. Van hierboven rook het naar verbrand vlees en naar de chemische stank van energiewapens die oververhit raakten. Het was lelijk. Het was nodig. Je stopt niet met ademen, omdat ademen pijn doet. Het paleis lag voor hem in de bergwand. Wit composiet en gouden circuitry. Donkerder dan hij het ooit had gezien. “Fen.” “De onderstad is van ons.” Fens stem, ademloos, levend, het geluid van iemand die rennen en praten en waarschijnlijk iets stelen tegelijk deed. “Ze juichen, Draven. Ze juichen alsof we al gewonnen hebben.” “We hebben niet gewonnen.” “Laat ze even juichen. Straks zijn er genoeg redenen om te stoppen.” “Mal. Hoe lang?” “Twee minuten. Aldric is overgelopen. Tien minuten geleden. Tweehonderd soldaten.” Draven hing stil. Aldric. De commandant van de Koningsklingen. Het gezicht van het systeem. Zuinig met woorden. Meedogenloos met orde. “Waarom?” “Hij heeft berekend dat wij winnen. Dat is geen loyaliteit. Dat is wiskunde. En wiskunde vertrouw ik.” Het paleis wachtte. Draven landde op het hoofdterras. Transformeerde terug — de pijn, de krimp, mensvorm. Tweeëntwintig. Bloed op zijn gezicht. De bijl in zijn hand. Koningsklingen stonden in mensvorm, wapens omlaag, met de gezichten van mensen die wachtten tot iemand zei dat het voorbij was zodat ze het niet zelf hoefden te bedenken. Malchor landde naast hem. Dunner. Twintig jaar oud en het gezicht van iemand van vijftig. Bloed op zijn handen. Van hemzelf. “Alleen wij,” zei Draven. “Alleen wij,” zei Malchor. De troonzaal. De deuren stonden open. Halfrond, wit steen, ramen van vloer tot plafond die uitzicht gaven over de brandende stad. Gouden energielijnen die pulseerden als een hart dat stierf. En op de troon, in het midden van het stervende licht, de oude koning. Kleiner dan Draven had verwacht. In de propaganda was hij een reus — breed, massief, het drakenbloed op zijn sterkst. De man op de troon was mager. Oud op een manier die functioneel, het lichaam dat alles wat overbodig was had afgesneden tot alleen het mechanisme overbleef. Grijs haar. Gouden ogen. Hij keek naar hen zoals hij naar alles keek: alsof het er niet toe deed. “De jongens uit de onderstad,” zei hij. Droog. “Die dachten dat mijn systemen onrechtvaardig waren. Die mijn stad in brand staken omdat ze niet begrepen dat systemen redenen hebben.” “Uw systemen hebben kinderen gedood,” zei Draven. “Mijn systemen hebben een koninkrijk bij elkaar gehouden. Het drakenbloed sterft, jongen. Elke generatie minder. De resonantie verzwakt. Als je de sterke elementen niet concentreert, verdwijnt alles.” “Je hebt het gemeten,” zei Malchor. De oude koning keek naar hem. Langer dan naar Draven. “Natuurlijk heb ik het gemeten.” “2,3% per decennium. Ik heb het ook gemeten.” “Dan weet je dat ik gelijk heb.” “Ik weet dat de data klopt. Dat is niet hetzelfde als gelijk.” De oude koning glimlachte. Het was het ergste dat Draven ooit had gezien — erger dan de razzia’s, erger dan het Bastion waar Bren was gestorven. De glimlach was erg, omdat hij echt was. Omdat hij zei: je zult hetzelfde worden als ik. Iedereen met deze data wordt hetzelfde als ik. “Sta op.” Draven hief de bijl. De oude koning bewoog niet. “Sta op. U gaat niet sterven op die troon. U gaat niet sterven als koning.” Draven greep hem bij zijn kraag. Zijde. Draven trok hem van de troon met de kracht van een man uit de onderstad — niet de kracht van een draak, niet de kracht van een systeem, maar de kracht van iemand die had geleerd dat je dingen pakte als je ze wilde hebben. De oude koning raakte de grond. Hard. Botten op wit steen. Het geluid van iets dat brak dat nooit eerder had gebroken. “Zo stierven ze.” Dravens stem was lager dan hij kende. “De mensen die u deporteerde. De families die u splitste. De kinderen die u liet afvoeren als hun getal te laag was. Op de grond. Zonder troon. Zonder zijde.” De oude koning keek omhoog en Draven zag — voor het eerst, voor het laatst — iets menselijks in de gouden ogen. Niet angst. Niet spijt. Verbazing. De pure verbazing van iemand die niet begreep hoe een jongen uit de onderstad hem van zijn troon kon sleuren. De bijl viel. Niet groot. Niet dramatisch. Metaal op vlees en bot. Kleiner dan Draven had gedacht. Groter dan hij had gehoopt. De oude koning lag op de witte stenen vloer van zijn troonzaal. Het bloed — donkerder dan normaal, dikker, het drakenbloed dat zelfs in de dood trager stierf — spreidde zich uit over het steen in een patroon dat leek op de energielijnen in de muren. De troon was leeg. Malchor stond naast hem. Het gezicht van iemand die een berekening had gemaakt die was uitgekomen en die ontdekte dat uitkomen niet hetzelfde was als kloppen. “En nu?” zei Malchor. “Nu wordt het moeilijk.” Beneden begon iemand te juichen. En iemand anders. En iemand anders. Tot het geluid opsteeg door de gebroken ramen als iets dat leek op hoop en dat te vroeg kwam en precies op tijd was. Malchor lachte. Kort. Rauw. Draven lachte niet. Hij keek naar het bloed op zijn handen. Naar de lege troon. Hij dacht aan Bren die dit had moeten zien. Aan Fen die beneden stond te juichen. Aan de vrouw met het Weefsel die ergens buiten de stad de energielijnen bij elkaar hield met handen die trilden. Hij ging niet zitten. Nog niet. De ochtend rook naar bloed en steen. Draven stond op de barricade — wat er van over was. Het hout dat was versplinterd. Het beton dat was gebroken. De lichamen die lagen waar de Koningskling was gevallen en waar de mensen waren gevallen die niet snel genoeg waren geweest. De bakker. De leraar. Twee monteurs wier namen hij niet kende. Een meisje van zeventien dat een energiegeweer had vastgehouden alsof het de wereld was en dat nu lag met de ogen open en de mond dicht en het geweer nog in haar handen. Draven keek. Niet weg. Naar elk gezicht. Elk gezicht dat een naam had die hij niet kende en die hij zou moeten kennen en die hij ging kennen — later, als de ochtend voorbij was en de straten schoon waren en de doden waren geteld. Fen stond naast hem. Niet huilerend. Tellend. “Zeven,” zei ze. “Zeven doden. Onze kant. De Koningskling is dood. Drie gewonden die het halen. Twee die het misschien halen.” “Namen.” “Die krijg je vanavond. Nu niet. Nu organiseren we.” De stad onder hem. De onderstad rookte en bloedde en leefde. De ochtendzon kwam over de daken — niet warm, niet troostend, licht dat alleen liet zien wat het donker had verborgen. Hij keek naar de bijl in zijn hand. Het bloed dat erop zat. Het bloed van een Koningskling die een bakker had gedood en die daarna was gedood door een jongen van tweeëntwintig met een gevechtsbijl en een woede die groter was dan angst. “Draven.” Fens stem. Scherper nu. “Er komen er meer. Niet vanavond — morgen. Of overmorgen. De koning zal antwoorden. Niet de laatste.” “Ik weet het.” “Weet je ook wat je gaat doen?” Hij keek naar haar. Naar Fen met de grijns die er niet was en scherpe ogen en de handen — twee handen, toen nog — die op haar heupen stonden. “Ik ga zorgen dat het de moeite waard was,” zei Draven. “Zeven doden. Die zeven gaan niet voor niets zijn gestorven.” “Woorden, Draven. Mooie woorden. Wat ga je dóen?” “De Klok pakken. Morgen. De Klok die in het Registratiegebouw staat en die kinderen meet en die kinderen sorteert. Die pakken we. En we breken hem.” Fen keek. Haar grijns kwam terug. Klein. Hard. Ze hoorde het plan, keurde het goed, en begon al te berekenen hoeveel mensen ze nodig had en welke tunnels ze zou gebruiken. “Goed plan,” zei ze. “Het is geen plan. Het is een begin.” “Beginnen is het moeilijkste deel. De rest organiseer ik.” Vier jaar eerder. De eerste nacht. Draven kotste achter de barricade. De smaak van gal en koper en iets dat hij niet kende en dat hij nooit zou vergeten. Niet van angst — van het lichaam dat reageerde op wat de geest niet kon verwerken. De Koningskling in de nek gehakt. Het natte geluid. Het bloed op zijn handen, dik, het ging niet weg zelfs als hij ze afveegde aan zijn broek. Hij was achttien. Hij had net een man gedood. De barricade rookte nog. Naast hem stond een vrouw met een energiegeweer, zwijgend — ze wist dat de jongen naast haar iets doormaakte waar woorden niet bij konden. De bakker was dood. Ergens verderop schreeuwde iemand. De stad vocht. Malchor vond hem. Natuurlijk vond Malchor hem. Het broertje dat altijd wist waar zijn grote broer was — niet door het Weefsel, niet door technologie, door het instinct van twee jongens die samen waren opgegroeid en die elkaar voelden als hun eigen ademhaling. “Draven.” “Ik heb hem gedood.” “Ik weet het.” “De bijl. In zijn nek. Het geluid —” “Ik weet het.” Malchor ging naast hem zitten. Achter de barricade. In het puin en het stof en de geur van bloed en verbrand metaal. De jongen van twaalf naast de jongen van achttien. Het schrift op zijn knieën. De ogen die niet keken naar het bloed op Dravens handen maar naar Dravens gezicht. “De eerste is het ergst,” zei Malchor. Niet als troost — als data. “De historische data over soldaten in de Grenzenoorlog toont dat het eerste gevecht de hoogste psychologische impact heeft. De tweede is minder. De derde is routine.” “Ik wil niet dat het routine wordt.” Malchor keek naar hem. Een gezicht te oud voor twaalf — ogen die al hadden gezien dat de wereld stierf en de resonantie verzwakte en de systemen niet werkten. Ogen die nu iets anders zagen: zijn broer die bloedde. Niet fysiek. Van binnen. “Het hoeft geen routine te worden,” zei Malchor. “Het hoeft alleen draagbaar te worden. En draagbaar wordt het als je weet waarom je het doet.” “Waarom doe ik het?” “Honderddrieënveertig. Elk jaar. Kinderen die verdwijnen. Dat is waarom. Niet de Koningskling. Niet de barricade. De kinderen.” Zijn handen. Drogend bloed. Handen die trilden. Hij dacht aan iets stoms. Niet aan de revolutie, niet aan de doden, niet aan honderddrieënveertig kinderen per jaar. Hij dacht aan de dumplings van Lina’s eetstal. Twee straten verderop. De eetstal die waarschijnlijk was verwoest. En het enige dat Draven voelde, op dit moment, met het bloed van een Koningskling op zijn handen en de geur van de dood in zijn neus, was een soort onzinnige, kinderachtige teleurstelling dat hij nooit meer van die dumplings zou eten. Dat was het deel dat niemand vertelde over oorlog. Niet de angst. Niet de woede. Het stompzinnige verlangen naar iets kleins dat weg was. “Mal.” “Ja?” “Beloof me dat je er bent. Als dit voorbij is. Als we winnen of als we verliezen. Beloof me dat je er bent.” Stilte. Te lang. De halve seconde die alles veranderde — de halve seconde waarin Malchor nadacht over een belofte die hij niet zeker kon houden en die hij toch gaf. “Ik ben er,” zei Malchor. Het was een leugen. Niet bewust — Malchor geloofde het toen hij het zei. Maar het lichaam dat de schaduwresonantie al droeg en het brein dat al aan het verschuiven was en het eiland dat al kleiner werd — die wisten dat de belofte een getal was dat niet klopte. Draven pakte de bijl op. Stond op. Veegde zijn handen af. Het bloed dat niet wegging. “We gaan door,” zei hij. Ze gingen door. De straat in. De nacht in. De revolutie in die net was begonnen en die alles zou veranderen en die niets zou veranderen en die twee broers uit elkaar zou trekken zoals de wereld broers uit elkaar trok: langzaam, onvermijdelijk, met de belofte van het begin als het eerste dat brak. Twaalf jaar eerder. Dravens moeder stierf op een dinsdag. Niet spectaculair. Niet heroïsch. Ze hoestte drie weken en ze werd dunner en ze hoestte meer en op een dinsdagochtend in november hoestte ze bloed op het laken en ‘s avonds was ze dood. Het drakenbloed dat te zwak was om haar te genezen — categorie drie, net genoeg om te overleven, maar niet genoeg om te herstellen. De dokter die kwam en die keek naar haar polsband en die weer wegging. De ambulance die niet werd gestuurd. De buurvrouw die zei: voor categorie drie komen ze niet. Draven was tien. Malchor was acht. Hun vader was drie jaar dood. De begrafenis was op de heuvel boven de onderstad. Dezelfde heuvel waar later Bren zou liggen en waar de grond te hard was voor de doden die kwamen. Twee mannen groeven. Draven hielp niet — omdat Malchor naast hem stond en Malchors hand vasthield en omdat iemand Malchors hand moest vasthouden en omdat er niemand anders was. Malchor huilde niet. Dat viel Draven op. Acht jaar oud en hij huilde niet. Hij stond en hij keek naar het gat in de grond en hij hield Dravens hand vast en zijn gezicht was het gezicht van iemand die iets verwerkte op een manier die niet de manier was waarop achtjarigen dingen verwerkten. Niet met tranen. Met stilte. Met het brein dat deed wat het brein altijd deed — analyseerde, ordende, begreep. “Ze was moe,” zei Malchor. Drie dagen later. Op het dak. “Haar bloed was niet sterk genoeg. Een 0,4. Bijna niets. De mensen met een 0,8 worden beter als ze ziek zijn. Mama niet. Mama had niet genoeg.” *Het waren de woorden van een achtjarige die te veel had geluisterd bij de buren en te veel had gelezen in de boeken die hij stal van de markt. Niet de woorden van een wetenschapper — de woorden van een kind dat probeerde te begrijpen waarom zijn moeder dood was en dat het enige gereedschap gebruikte dat het had: getallen.* “Mal —” “0,4, Drav. Het verschil tussen leven en dood is een getal achter de komma.” Draven had niet geweten wat hij moest zeggen. Wat zei je tegen een achtjarige die de dood van zijn moeder in getallen vertaalde? Wat zei je tegen een brein dat troost zocht in data, omdat data niet loog en mensen wel? “Het is niet eerlijk,” had Draven gezegd. Het enige dat hij had. *”Nee. Het is niet eerlijk. Mama was ziek en ze gingen niet naar haar kijken. De buurvrouw zei: ze is categorie drie, die komen niet. Ze hadden kunnen komen. Ze wilden niet.” Malchor had naar de sterren gekeken. De ogen die te oud waren. “Ik ga uitzoeken waarom, Drav. Waarom ze niet kwamen. Waarom het getal bepaalt wie ze helpen. En als ik het snap, ga ik het veranderen.”* Tien en acht. Op een dak. Met een dode moeder en een wereld die niet eerlijk was. *Dat was het begin van alles. Niet het kristal. Niet de Klok. De dood van een vrouw die hoestte op een laken en die categorie drie was en die 0,4 had in plaats van 0,8. Het getal dat alles startte.* Tien jaar eerder. De onderstad.”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
BOOK EXTRAS
Videos
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
Drakenbloed
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3
BETA READER DRAKENBLOED Boek 3
Drakenbloed · 3