CONCEPT BOOK ON SADAJA
Ashcrown Boek 2
Report this book
BOEK 2 — DE TWEEDE VAL Eén week na Shanghai. Op de Bund staat sergeant Liang opnieuw met luitenant Han bij de Suzhou-Creek-hoek. De Huangpu kookt niet. Het water hangt op een halve meter, op een diameter van…
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
BOEK 2 — DE TWEEDE VAL Eén week na Shanghai. Op de Bund staat sergeant Liang opnieuw met luitenant Han bij de Suzhou-Creek-hoek. De Huangpu kookt niet. Het water hangt op een halve meter, op een diameter van twaalf meter. Iets duwt zich uit het oppervlak omhoog. En dit keer komt er een tweede. Op de Faeröer zit dr. Vela Hassan bij voormalig geofysicus Heðin Joensen in een instituut dat sinds april geen federale financiering meer ontvangt. In een hangar buiten Reykjavik leest kapitein Holt aan drie IJslandse technici een meting voor terwijl Patel hem vanuit Halifax meldt dat zijn vrouw Maya en dochter Asha de overtocht hebben gehaald. Op een terras op een eiland onthult Adrian Veil aan vier mensen wat hij sinds 2016 heeft geweten over wat hem te doen staat op dag zestien, om twaalf uur ’s middags. De Tweede Val — tweede deel van de ASHCROWN-saga. Wat één keer onmogelijk was, is twee keer een patroon. En wat de wereld over zeven dagen niet meer een uitzondering kan noemen, beweegt op achttien knopen naar de monding van de Schelde.
“PROLOOG — LIANG Shanghai — dag een Vier uur tweeënveertig ’s middags. De wind kwam van het oosten over de Huangpu. Het was negentien graden. Op het asfalt voor het Astor House zat een straathond die sinds maart op die plek zat en die Liang sinds vorige zomer zelf had leren herkennen aan een vlek op zijn rechteroor. De hond keek naar de overkant van de rivier. Liang stond bij de wagen op de hoek van Suzhou Creek met luitenant Han. “Sergeant.” “Luitenant.” “Drie minuten en wij gaan.” “Drie minuten.” Hij had een sigaret in zijn rechterhand die hij niet had aangestoken. Han had hem haar gegeven om zes voor half vier. Liang rookte sinds tweeduizendveertien niet meer. Hij hield haar in zijn vingers omdat Han hem haar had aangereikt en hij in tien jaar onder Han niet één keer iets had geweigerd dat Han hem op het terrein had aangereikt. Achter hem stonden Cheng, Wu en korporaal Yao. Yao met de radio op zijn rug. Wu met het AK over zijn schouder zoals hij hem al sinds Shenyang droeg, te ver omlaag op de heup. Cheng met zijn helm in zijn hand. Xu Liang — geen familie, hospik, vier jaar onder Han — zat op de drempel van de wagen met haar tas tussen haar voeten. Tian was twee straten verderop op de Yan’an East met een tweede team. Lin Hao stond drie passen achter Xu Liang. Tweeënveertig. Junior medic, sinds april. Mei’s broer. Hij hield zijn hand op de strap van zijn tas omdat hij sinds vier dagen onder Han had geleerd dat een tas die aan een strap hing op een schouder niet meer trok dan een tas die je vasthield. “Sergeant.” “Hao.” “Mei is op de eerste van de Bund. Bij de bank van Zhonghua.” “Goed.” “Zij gaat naar het Peace om vijf uur.” “Goed.” Hij dacht: zeg haar dat zij niet om vijf uur naar het Peace gaat. Zeg haar dat zij naar huis gaat. Zeg haar. Hij zei het niet. Hij keek naar de overkant van de rivier. Op de overkant van de Huangpu — Pudong — stond de skyline tegen het licht van de namiddag. De Shanghai Tower had haar lichten al aan. De Oriental Pearl had haar twee onderste bollen rood. De Jin Mao stond donker. Tussen de Oriental Pearl en de Shanghai Tower — in de lucht boven de rivier, zonder dat zij ergens aan vasthing — kwam iets in beeld dat hij niet kon plaatsen. Een verstoring. Niet een vogel, niet een drone. Een verschuiving in de lucht zelf, alsof iemand een laken over de skyline had getrokken en dat het laken transparant was, maar dat de skyline erachter niet meer op de plek was waar zij vier seconden eerder had gestaan. “Han.” “Sergeant.” “De overkant.” Han keek. Han keek twee tellen. “Yao.” “Luitenant.” “Centrum nu. Sectie drie.” Yao zette de radio aan. Hij sprak. Hij sprak in een Mandarijn dat Liang in tien jaar niet één keer onder druk had horen breken. Op het wateroppervlak van de Huangpu — in het midden, op tweehonderd meter ten zuiden van het Astor House — verscheen een bobbel. De Huangpu kookte niet. Het water werd niet warm. Het oppervlak boog op een halve meter omhoog op een diameter van twaalf meter. Het bewoog niet met de stroming. Het hing. “Naar de wagen,” zei Han. Cheng zette zijn helm op. Xu stond op van de drempel. Zij pakte haar tas. Lin Hao verlegde zijn strap. Liang voelde een trilling onder zijn schoenen. Niet diep, niet ver. Drie meter onder hem, schatte hij. Door het asfalt, door het beton onder het asfalt, door iets onder het beton. De trilling kwam in een ritme dat hij niet meteen herkende. Hij zou het later — twee dagen, drie dagen, een week — herkennen als drie korte en één lange. Vandaag had hij geen woord voor het ritme. Het was een trilling. Op de bobbel in de Huangpu kwam beweging. Iets onder het wateroppervlak — vier meter onder, vermoedelijk meer — duwde zich naar boven. Het water dat over de bobbel was getrokken, scheurde open op een lijn die hem deed denken aan een naad in een jas die door iemand met een mes van binnenuit was opengetrokken. De naad was acht meter lang. Door de naad kwam iets omhoog. Het was niet grijs. Het was niet zwart. Het had geen kleur die hij in tien jaar onder Han ergens had geleerd te benoemen. Het was vier meter hoog op het moment dat het zich uit het water duwde, en het was op de breedte van twee mannen die naast elkaar stonden. Het had geen ogen. Het had geen mond. Het had ledematen die niet links en rechts waren — drie stukken die uit de bovenkant van het ding sprongen op hoeken die geen biologisch lichaam zou hebben. Op zes meter hoogte stopte het. Het stopte op de manier waarop iets stopte dat zich aan de oppervlakte had voorgesteld en dat zich nu eerst wilde oriënteren voordat het verder ging. Het keek niet. Het had geen ogen. Maar Liang voelde — door het beton, door de trilling, door iets in zijn kaakgewricht — dat het de Bund opnam. “Schiet,” zei Han. Cheng was de eerste. Drie burst van zijn AK. De kogels gingen ergens in het ding in en kwamen ergens niet uit. Geen vloeistof. Geen reactie. Het ding bewoog niet. “Yao naar centrum, hou de lijn.” “Begrepen.” Wu schoot. Liang schoot. Vier man schoten in een vorm op zes meter hoogte op honderdvijftig meter en zij raakten allemaal. Het ding bewoog niet. Op het asfalt achter Liang begon een vrouw te schreeuwen. Niet één vrouw. Veel. Op de Bund — sinds vier uur tweeënveertig zaten er nog ongeveer driehonderd toeristen, dertig of veertig kantoorarbeiders die hun lunchpauze laat hadden, vier of vijf honduitlaters, twee koeriers op brommers, en sergeant-majoor Wang van de politiepost Suzhou Creek die op de hoek met een straathond praatte. Driehonderdvijftig mensen, schatte Liang later. Driehonderdvijftig die nu allemaal tegelijk zagen wat hij zag en die niet allemaal tegelijk dezelfde beslissing namen. “Hao.” “Sergeant.” “De mensen achter ons. De Suzhou Creek-brug. Daarheen.” “Begrepen.” “Niet rennen. Lopen. Niet schreeuwen. Lopen.” Hao draaide zich om naar de vrouw die schreeuwde. Hij liep naar haar toe. Hij raakte haar arm aan. Hij sprak in haar oor. Zij stopte met schreeuwen. Zij begon te lopen. In de Huangpu — Liang zag het uit zijn ooghoek — kwam een tweede bobbel. “Han.” “Ik zie het.” Het tweede ding kwam vierhonderd meter ten noorden uit de rivier. Sneller dan de eerste. Op acht meter hoogte. Het keek niet, het had geen ogen, maar Liang voelde door het beton dat het de Waibaidu-brug opnam. “Yao. Tweede vorm. Vierhonderd noord. Acht meter.” “Begrepen.” “Han.” “Sergeant.” “De brug.” “Ja.” “Wij hebben twee man op de brug. Wij hebben driehonderd mensen die over de brug moeten.” “Tian is op Yan’an. Hij komt niet op tijd.” “Begrepen.” Het eerste ding begon te bewegen. Niet snel. Op de manier waarop iets bewoog dat zich vier minuten lang had voorgesteld en dat zich nu de eerste meter wilde uitstrekken. Het draaide niet. Het kantelde niet. Het gleed naar voren — uit het water op de stenen kade onder het Astor House — en zijn drie ledematen zochten een grondvlak. De stenen onder het ding kraakten. Niet gebroken, niet versplinterd. Gekraakt op een toon die door het beton onder Liangs schoenen kwam en die de trilling in zijn kaakgewricht veranderde van drie kort en één lang in iets nieuws — een laag bonzen onder de wapens, een geknars van twee dingen die niet met elkaar hoorden te schuren. Het rook. Op de wind van het oosten over de Huangpu kwam iets binnen dat hij in tien jaar niet had geroken. Geen olie. Geen rivier. Geen ontbinding. Een geur die ergens tussen brandend rubber, een lege rivierbedding in augustus, en iets onder zijn eigen tong zat — iets metallisch dat hij sinds zijn kindertijd één keer had geproefd toen zijn moeder hem in negentien zestig op een ochtend in Wuhan een ijzeren lepel in de mond had gestopt om te zien of een tand los zat. Zijn ogen traanden. “Bek dicht,” zei Han. Niet hard, niet zacht. Operationeel. Liang sloot zijn mond. Hij ademde door zijn neus. Het tweede ding bereikte de Waibaidu-brug. Het ging niet onder de brug door. Het ging niet over de brug heen. Het liep tegen de brug aan zoals iemand tegen een muur liep van wie hij niet had begrepen dat zij een muur was — en de brug, achtenzeventig meter staal en beton uit negentien zeventien, scheurde op de plek waar zij de Pudong-oever raakte zonder dat iemand een explosie had gezet. “Godverdomme,” zei Yao. “Yao,” zei Han. “Luitenant.” “Lijn naar centrum.” “Lijn ligt erbij.” “Hou hem.””
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
ashcrown
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3
BETA READER DRAKENBLOED Boek 3
Drakenbloed · 3