BETA READER BOOK ON SADAJA
DRAKENBLOED Boek 3
Report this book
De soep is te zout. Dat is het punt. Koning Sam sterft op een slagveld met de naam van zijn dochter op zijn lippen en soep op het fornuis. Zijn veertienjarige dochter Lena erft een stervende wereld, een…
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
De soep is te zout. Dat is het punt. Koning Sam sterft op een slagveld met de naam van zijn dochter op zijn lippen en soep op het fornuis. Zijn veertienjarige dochter Lena erft een stervende wereld, een zingende boom en een gave die haar zal doden. Het Weefsel — het licht dat de wereld bij elkaar houdt — sterft. De kern onder de aarde stopt met kloppen. De enige manier om de wereld te redden is het Weefsel teruggeven aan de bron. Het Weefsel zit in Lena. En teruggeven betekent verdwijnen. Terwijl haar oom Daniel met één arm en een drone het front verdedigt, en haar tante Jara het koninkrijk overeind houdt met koude thee en ogen die alles zien, daalt Lena af naar de kathedraal onder de woestijn. Naast haar loopt Malchor — de man die haar grootvader vermoordde en die de beste leraar is die ze ooit heeft gehad. Onderweg maakt ze soep. Vlecht ze het haar van haar zusje Noa. Telt ze drieëntwintig sterren op het dak. De kleine dingen. De menselijke dingen. De dingen die zwaarder wegen dan het lot van de wereld. Want de vraag is niet of Lena de wereld redt. De vraag is of de wereld het waard is om gered te worden door een meisje van veertien dat liever soep zou maken. Het Laatste Licht is het slotdeel van de Drakenbloed-trilogie. Een verhaal over opoffering, familie en de ontdekking dat de belangrijkste dingen altijd te zout zijn. Drakenbloed — Boek 3
“PROLOOG Sam wist het toen zijn linkerknie het begaf. Niet brak — begaf. Het verschil was belangrijk voor iemand zesendertig jaar in een lichaam sterker dan het hoorde te zijn, nu beslissend op het slechtst mogelijke moment: genoeg. De knie knikte. Een centimeter, misschien twee. Het soort hapering onvoelbaar op je twintigste, genegeerd op je dertigste, op je zesendertigste een bericht: ik heb je gedragen. Ik ben moe. De ochtend voor het slagveld. Sam stond in de keuken. Vijf uur. Slapende stad. De zingende boom in de tuin — het lied elke ochtend hetzelfde en elke ochtend nieuw. Het lied van zijn moeder. Elara. Vijftien jaar dood en elke ochtend aanwezig in het licht door de stam en het lied door de wortels. Hij maakte soep. Het recept van zijn moeder. Geleerd door kijken. Elke ochtend gekookt met handen te groot voor de keuken en een mes te scherp voor een wortel. Zijn moeder had soep gemaakt als antwoord op alles zonder antwoord. De soep zeggend: ik kan niet de wereld redden. Maar ik kan dit. Te zout. Altijd te zout. En genoeg. Sam roerde. Stille ochtend. Hij wist van vandaag. De inlichtingen waren helder: Serava’s hoofdmacht bij de Drakenrug. De grootste concentratie sinds de Asgrens. Als hij vloog was het niet zeker of hij terugvloog. Voetstappen op de trap. Licht. Snel. Treden overslaand. Noa. Ze stond in de deuropening. Zeven. Te grote ogen. Sams oude shirt tot haar knieën als nachthemd, ruikend naar papa. “Soep?” “Soep.” “Het is vijf uur.” “Soep heeft geen klok.” Ze klom op het aanrecht. Bungelende benen. Ogen op de soep alsof soep het belangrijkste ter wereld was. “Ga je vliegen vandaag?” “Ja.” “Ga je vechten?” “Misschien.” “Ga je winnen?” Sam keek naar zijn dochter. Zeven. De ogen van haar moeder. “Ik ga mijn best doen.” “Dat is niet hetzelfde als winnen.” “Nee. Dat is niet hetzelfde.” Noa keek naar de soep. Naar haar vader. Naar de soep. “De soep is te zout,” zei ze. Zonder te proeven. Sam lachte. Het geluid de keuken vullend — de lach van een man groter dan de ruimte, warmte voelbaar in je botten. Hij tilde Noa van het aanrecht. Hield haar vast. Te lang. Te stevig. “Papa.” “Ja.” “Je knijpt.” “Sorry.” “Het geeft niet. Ik ben sterk.” “Ik weet het.” Hij zette haar neer. Het kind weglopend — huppelend, de wereld behandelend als iets te leuk voor gewoon lopen. Sam keek haar na. Stille ochtend. Kokende soep. De zingende boom. Lena stond in de gang. Stil als Jara. Ze keek naar haar vader en naar de soep en naar de ochtend. “Ik heb gedroomd.” “Waarover?” “De boom. Het lied was anders. Luider. En er was een stem erin die ik niet kende.” Sam stopte met roeren. Veertien. Gouden ogen — niet bruin, niet groen, goud. “Wat zei de stem?” “Niets. Geen woorden. Het gevoel van iets wachtends. Op iemand.” Sam liep naar haar. Hand op haar hoofd — te groot, voorzichtig als alleen grote handen konden zijn. “Het is de boom. De boom droomt soms door ons heen.” “Oma is de boom.” “Oma is in de boom. Iets anders.” “Wat is het verschil?” “Liefde. Oma heeft de boom haar liefde gegeven. De boom zingt het terug. Elke ochtend.” Stilte. De keuken. De soep. De ochtend. “Papa.” “Ja.” “Kom terug.” “Ik kom terug.” De belofte niet te houden. De belofte toch gedaan. Hij roerde. De soep draaide. De ochtend ging voorbij. Het gevecht duurde vier minuten. Onder hem het slagveld. Solvaraths leger — de gronddraken als levende forten, hun kanonnen zware salvo’s vurend, schaduweenheden uiteenrukkend in wolken van zwart pantser en rood licht. De infanteriedraken de linie houdend — slanker, sneller, pantser strak als tweede huid, lasers korte pulsen vurend. De luchtvleugel erboven cirkelend in formaties brekend en hervormend. Zijn leger. Kleiner dan het was geweest. Ouder. Nog net standhoudend. Serava kwam uit het oosten. Niet als commandant — ze had commandanten. Als de belichaming van twintig jaar geduld. Zwart. Niet Malchors zwart van afwezigheid — het zwart van ijzer. Van wapens. Van bedreigend duister. Serava had zwak drakenbloed. Categorie laag. Op haar negende weggestuurd uit Solvarath, omdat haar bloed niet goed genoeg was. Hoorde niet te kunnen transformeren in iets vechtends, vliegends, koningdodends. Maar twintig jaar en Malchors aantekeningen en geen schuldgevoel hadden haar dit gegeven: pantser smaller dan een Kling, dichter, op haar lichaam als gesmede tweede huid. Smalle klauwen als chirurgische instrumenten. Vleugels smaller dan een soldatendraak maar sneller. Rode aderen door haar pantser als lijnen van een ontwerp. Zwak drakenbloed vervangen door schaduw. En de ogen — rood, constant, het rood van iemand de prijs kennend en betalend als investering. De eerste minuut was Sam. Hij vloog recht op haar af. Geen tactiek. Het ding van zijn vader. Groen pantser de lucht scheidend. Het schild vooruit — breed, donkergroen, het metaal gegroeid uit zijn linkervleugel, de muur die klappen opving als gebouwen konden slopen. Het zwaard laag en geladen. De houding geleerd van Aldric en voorgedaan door Draven: schild als anker, zwaard als tand. De klap raakte Serava vol. Schild tegen flank — het geluid van metaal op pantser, de schokgolf door zijn arm, door zijn schouder, door zijn ruggengraat. Serava schoot tien meter achteruit. Twintig. Haar vleugels braken de val. Sam volgde. Het kanon op zijn rug draaide. Klikte vast. De energiepuls scheurde de lucht — de dreun door zijn hele lichaam, de puls rakend haar borstpantser. Gloeiend. Niet brekend. Schaduwpantser dichter dan alles ooit geraakt. Absorberend in plaats van barstend. Het zwaard hakte — de zwaai breed, zwaar, zijn vaders bijlzwaai. Serava dook. Sneller. Het zwaard miste op de halve seconde. Sam voelde de lucht waar haar lichaam had gezeten. Leeg. Drie Klingen kwamen van rechts. Zwart pantser, rode ogen, rode randen langs hun vleugels — Serava’s elite. Sam hief zijn schild. De eerste Kling raakte het schild vol. De klap door zijn arm — zwaar, het gewicht van een schaduwdraak sneller dan hij. De Kling gleed langs de rand, klauwen vonden zijn linkerzij waar het pantser dunner was geworden. Regeneratie trager. Schubben niet meer aansluitend. De klauwen schuurden over de naad. Groen bloed welde op — heet, dik, de geur van koper en aarde. Sam sloeg terug. Niet met klauwen — met het zwaard. Laag, geladen, het wapen als zijn vader de bijl droeg: verlengstuk van de arm. De zwaai raakte de eerste Kling in de flank. Drie ribben. Het geluid van bot knappend door pantser — nat, hard. De Kling klapte dubbel in de lucht en viel. Het kanon draaide. Vuurde. De puls raakte de tweede Kling in het borstpantser. Pantser barstte. De Kling viel als iets opgehouden met vliegen — de vleugels slap, het lichaam draaiend, de grond honderd meter lager. De derde van boven. De hoek gezien — vijf jaar geleden geblokt met het schild. Nu gezien en niet snel genoeg. Het schild te langzaam omhoog. De halve seconde. De klap raakte zijn nek. Niet door het pantser — langs het pantser. De naad. De plek beschermd met de houding van Aldric, kin laag, schouders hoog. Maar schouders niet meer zo hoog en kin niet meer zo laag. Bloed. Groen. Koninklijk. Donkerder dan soldatenbloed. Heter. Het stroomde langs zijn hals, in de spleet tussen pantser en onderhuid, warm tegen zijn schouder. “Sire.” Een officier op de comm. “Uw flank is open. Terugtrekken?” “Nee.” “Sire —” “Linie houden.” De woorden van zijn vader. Dezelfde woorden, ander slagveld, dezelfde bijl, dezelfde weigering. Sam had ze niet geleerd — geërfd, als het drakenbloed en de littekens en het gewicht. De tweede minuut was van niemand. Ze cirkelden. Hoog boven het slagveld. De formaties beneden — gronddraken donnerend, infanterie vurend, luchtvleugel intercepterend. Dunne lucht. De kou van hoogte en verloren bloed. Sam voelde de wond in zijn nek — warm, pulserend, het bloed niet stoppend. Niet dodelijk. Nog niet. Serava cirkelde tegenovergesteld. Langzaam. Het zwart van haar pantser absorberend het licht. Geen haast. Geen agressie. De rust van iemand die had gewacht en die wist hoe wachten werkte. “Koning,” zei ze door de open frequentie. Kalm. “Ik had je vader willen ontmoeten. Maar jij voldoet.” Sam zei niets. Woorden waren voor mensen met tijd. De derde minuut was Serava. Ze was sneller. Een fractie. Haar rode lasers — schaduwfrequentie door haar wapens — vonden de dunne plekken. Linkerzij. Rechtervleugel. De naad bij zijn nek. Elk schot precies. Elk schot op een plek waar het pantser al verzwakt was. Sam blokte met het schild. Hakte met het zwaard. Vuurde met het kanon. Maar elk blok was een fractie te laat. Elke hak een fractie te langzaam. Elke puls een fractie naast. Niet het drakenbloed — het lichaam eromheen. Spieren van tien jaar oorlog. Reflexen een halve seconde langzamer. In die halve seconde won Serava. Haar klauw raakte zijn rechtervleugel. Niet een schram — een snede. De hele vleugelmembraan open van bovenrand tot onderrand. Het geluid van vlees scheurend. Groen bloed spatte — op haar pantser, op de lucht, druppels vallend als regen op het slagveld honderd meter lager. Sam schreeuwde. Het geluid niet menselijk — het geluid van een draak in pijn, lager dan geluid hoorde te zijn, voelbaar in de botten van elke soldaat beneden. Zijn rechtervleugel klapte. De lucht ving hem niet meer. Hij begon te vallen — schuin, draaiend, de linkervleugel compenseert, het lichaam kantelend. “Je bent voorspelbaar,” zei Serava. “Niet zwak. Voorspelbaar. Dat is erger.” De staart kwam. Niet van voren — van achteren. Het wapen onverwacht, omdat schaduwdraken geen staartwapens hadden. Maar Serava was geen schaduwdraak. Serava was een nieuw ding. De staart scherp als een zwaard, rakend zijn rechterzij op het dunste punt van het pantser. Niet door het pantser. Langs het pantser. De naad. De plek waar het pantser de buik raakte. Het vlees eronder — zacht, onbeschermd, het deel van het lichaam vertrouwend op het pantser en het pantser vertrouwend op de schubben en de schubben niet meer aangroeiend. De pijn was wit. Niet rood — wit. De kleur van iets te groot om te verwerken. Sams handen grepen de staart — de linkerhand, de hand van zijn schild, het schild loslatend om de staart te grijpen. Het schild viel. Twintig meter naar beneden. Het geluid van metaal op steen. Het schild gedragen sinds zijn eerste transformatie. Het schild van Karst en de Pas en elk gevecht ertussen. Weg. Sam trok. Staart vast, naar zich toe, kracht als gebouwen kon slopen. Serava schoot naar hem toe — niet vrijwillig, maar getrokken. Afstand verdween. Rode ogen dichtbij. De geur van schaduw — metallisch, koud, de geur van iets levends op een manier als leven niet hoorde te zijn. Sam sloeg. Hoofd. De ram geleerd van Aldric — bot op pantser, de klap van het grootste tegen het snelste. De wereld werd wit. Een seconde. Twee. De wereld kwam terug. Serava viel. Niet ver — tien meter, twintig, haar vleugels hervindend, haar lichaam herstellend. Maar ze viel. En Sams lichaam gaf het geluid van iets triomferends — een brul, kort, het laatste geluid van een man wiens lichaam nog wist hoe winnen voelde. De vierde minuut. De knie begaf. De linkerknie — het bericht van het begin, nu het verdict. Sam voelde zijn been knikken in de lucht. De balans weg. De rechtervleugel gescheurd en de linkerknie gebroken en het bloed stromend uit drie wonden te diep. Serava dook. Onder hem. De hoek onverwacht — niet van boven, niet van opzij, van onderen. Klauwen omhoog. Door het buikpantser op het dunste punt. Door het vlees eronder. Sam voelde het als kou. Niet pijn — kou. De kou van de Asgrens. De kou als zijn vader had beschreven. De kou van iets ophoudend. Hij viel niet. Nog niet. Zijn lichaam vocht tegen het vallen als het altijd had gevochten — door niet te stoppen, door niet te wijken, door te staan. Vleugels sloegen. Lucht droeg hem. Groen bloed stroomde — drie wonden, de nek, de zij, de buik. Het bloed spatte op zijn eigen pantser, warm op koud, de geur overal. Hij keek omlaag. Het paleis. De tuin. De boom. De gouden ogen. Zijn kinderen. De ongewenste gedachte, toch komend. Lena met het haar wit aan de slapen. Noa met de tekeningen overal. De soep op het fornuis. De keuken vijf uur geleden. De handen om Noa heen. Het knijpen. Het geeft niet. Ik ben sterk. “Lena,” zei Sam. Niet door de comm. Niet als bevel. Als naam. “Lena. Het spijt me. De soep staat op het fornuis.” Serava’s klauw. Het schild er niet. De naad al open. Sam viel. Het groene pantser doofde. Schubben verloren hun glans. Het lichaam kleiner wordend — kracht wegtrekkend als licht uitgaand. Hij raakte de grond als iets zwaar en licht moetend zijn. Het geluid legde het slagveld stil — een seconde, twee, de stilte van een leger ziend wat het zag. Het laatste gezien: de hemel. Grijs. Breed. Als de hemel boven de tuin. Het laatste gehoord: het lied. Niet met oren — met drakenbloed, de boom horend zelfs op deze afstand. Het laatste gedacht: de soep. Noa moet eten. Lena moet de boom horen. Jara moet de vlecht doen. De groene draak ophoudend met bewegen. Schubben vervaagden. Het lichaam terugkerend naar mensvorm — langzaam, de transformatie als laatste gaand, het drakenbloed als laatste opgevend. Een man van zesendertig. Op de grond. Met drie littekens op zijn wang en groen bloed op de stenen en de naam van zijn dochter op zijn lippen. De linie hield. Als altijd. Officieren namen het over. Soldaten vochten. Het leger standhoudend zonder zijn koning, omdat hij ze had geleerd: niet voor hem. Voor de stad en de soep en de kinderen. Serava keek omlaag. Ze voelde niets. Niet triomf. Niet verdriet. De leegte van iemand twintig jaar ergens naartoe werkend en ontdekkend van het toekomen niet hetzelfde als het aankomen. “Terugtrekken.” Haar leger trok zich terug. Niet verslagen. Niet overwinnend. Met een dode koning op het veld en een levend leger zonder leider — des te gevaarlijker, omdat een leger zonder leider niets meer had te verliezen. De grens hield. De stad stond. De koning lag op het veld. Het slagveld later de Koningsvallei hetend. Omdat er een koning was gestorven. In het stof. Met groen bloed de aarde kleurend als zijn vader de aarde had gekleurd, vijftien jaar eerder, in een ander verhaal hetzelfde verhaal. De zon ging op boven Solvarath. Licht kroop over de berg en raakte het paleis en de tuin en de boom witter bloeiend dan ooit. In de tuin stond een meisje. Veertien. Gouden ogen. Handen op de stam. Ogen dicht. Lippen bewegend. De boom stopte met zingen. Lena opende haar ogen. Ze wist het. Ze wist het voor de comm kraakte. Voor Jara de kamer binnenkwam met het gezicht van de nacht van moeders dood — niets latend zien en alles latend zien. De boom had het verteld. De stilte gevallen waar het lied was geweest. Haar vaders frequentie verdwenen uit de resonantie als een doorgeknipte snaar. Jara stond in de deuropening. “Lena —” “Ik weet het.” Jara sloot haar mond. De vrouw altijd met woorden, nu zonder. Handen langs haar zij. “Ik weet het, tante Jara.” *Tante.* Het woord deed alles. Ik ben een kind en jij bent de volwassene en dit is het moment. Het woord brak Jara’s gezicht — niet veel. Een barst. Jara liep de tuin in. Knielde. Sloeg haar armen om het meisje ruikend naar bloesem en naar tranen er nog niet. De boom was stil. De tuin was stil. Ze zou het worden.”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
BOOK EXTRAS
Videos
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
Drakenbloed
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3