CONCEPT BOOK ON SADAJA
KRONIEK VAN HET NOORDEN
Report this book
nog te maken
View book
Keep me informed when this title goes on sale
Already have an account? Log in
Log in to save
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
nog te maken
PREVIEW
“1 DE DRIJFJACHT Het zwijn had twee pijlen in zich en het viel niet. Kjartan floot de honden terug en er kwam er niet één. De twee jonge zaten voorop en die hadden nog nooit iets vastgehouden dat terugvocht en Grip kwam er van voren bij. Dat is de kant waar je nooit bij een zwijn komt. Het dier zette zijn kop schuin en haalde uit van onderen naar boven. De onderste slagtand ging achter het borstbeen naar bin-nen en liep door tot in de lies. Grip kwam op zijn poten te-recht en bleef staan. Hij was open van zijn voorborst tot ach-ter zijn ribben en er hing een streng uit tot op het varenblad onder hem en hij ging er weer heen. Dat doen ze. Kettil stond twintig passen hoger op de helling met een pijl op de pees en hij had geen schot. Tussen hem en het dier stonden Kjartan en twee drijvers en de honden liepen daar dwars doorheen. Op veertig passen door bewegende man-nen heen schiet je geen zwijn. Je schiet Kjartan. Wat hij die dag wilde was klein en hij had het voor zons-opgang al voor zichzelf gezegd. Hij had de doorgang gekre-gen, boven het beekdal, waar alles doorheen moet wat de vallei op wordt gedreven. Dat was de post van de jacht en die was niet voor hem. Erlend had er elf jaar gestaan en Kettil was negentien en stond het derde jaar in het huis. Hij wilde dat de jachtmees-ter voor het donker zijn naam zou zeggen, hardop, één keer, waar Erlend bij stond. Meer niet. Het zwijn liet de hond liggen en ging niet vooruit de vallei in. Het ging terug. Een zwijn dat geraakt is loopt niet weg van de plek waar het pijn heeft gekregen, het gaat terug door de lijn die het naar voren heeft geduwd, want daar is het al eens doorheen gekomen en daar weet het de weg. Iedere drijver weet dat en het helpt hem niets, want op dat moment staat de lijn met de ruggen naar de helling en met de stokken om-hoog en met de mannen te ver uit elkaar. Ansgar stond op de linkerhand van de lijn met een drijf-stok en verder niets aan wapens. Hij dreef al drijfjachten toen de meesten van hen niet liepen. Hij zag het aankomen en hij deed wat je moet doen: hij zette de stok schuin naar beneden en hij ging niet aan de kant. De stok was van essenhout en hij was er niet dik genoeg voor. Het zwijn kwam er langs de binnenkant onderdoor en haalde uit met de kop opzij. Dat is de slag waar mannen aan doodgaan, want een slagtand snijdt niet recht vooruit. Hij haakt en wat hij openmaakt loopt van beneden naar boven en wordt naar boven toe breder. De tand ging bij Ansgar aan de binnenkant van het rech-terbeen naar binnen, een hand boven de knie en liep omhoog tot in de lies en kwam er weer uit. Ansgar bleef nog twee passen staan en toen zakte hij op zijn achterwerk in het gras. Hij keek naar zijn been en hij hield het met beide handen bij elkaar en dat lukte niet, want zijn duimen zaten aan de ene kant van de wond en zijn vingers aan de andere en er was daartussen te veel weg. Het bloed kwam er in stoten uit en niet in een straal. Bloed dat in stoten komt zit dieper dan bloed dat loopt. Op zo’n been drukken helpt niet, want je hand ligt op vlees dat nergens meer tegenaan gedrukt kan worden. Afbinden erboven helpt wel en dan moet het strak genoeg om pijn te doen. Kjartan liet de honden en kwam. Hij trok zijn gordel uit de lussen en legde hem hoog om Ansgars dij, boven de wond en hij stak de schacht van de drijfstok erdoor en draaide. Hij draaide twee slagen en Ansgar begon te gillen en Kjartan draaide de derde. Toen hield het bloed op met stoten en kwam er alleen nog wat uit de rand. Ansgar hield op met gil-len en lag op zijn rug en ademde door zijn tanden. Het zwijn kwam terug. Het had de twee pijlen nog in zich, één in de flank achter de laatste rib en één in de dikte van de hals, waarvan geen van beide zat waar hij iets deed. Het kwam op Kjartan af, die geknield zat met beide handen aan de schacht en niet los kon laten. Erlend stond drie passen naast Kettil met zijn boog al halfgespannen en liet hem weer zakken. Op de schouder heeft een oude beer een schild van eelt en hars dat bij een volwassen dier een duim dik is en daar gaat geen jachtpunt doorheen. Hij gaat erin en hij blijft erin staan en verder ge-beurt er niets. Dat is de reden dat mannen met sprieten op zwijnen gaan en niet met bogen. Kettil zag het oog. Er was één lijn tussen twee ruggen door en die was een handbreed en het dier bewoog dwars. Hij zette zijn duim te-gen zijn kaak, hield anderhalve kop voor en liet de pees los. De pijl ging tussen de schouder van de tweede drijver en de rug van Kjartan door en hij ging het rechteroog in tot aan de veren. Het zwijn zette zijn voorpoten in de grond en kwam op zijn knieën terecht en gleed nog een halve pas door op zijn kaak. Zijn achterlijf bleef staan. Toen viel het opzij en zijn po-ten liepen door in de lucht, drie of vier slagen en toen niet meer. Kjartan liet de stok los en spuwde in het gras. Hij trok zijn mes en sneed de hals door onder de kaak omdat je dat doet, ook als het dier al dood is en het bloed liep de helling af on-der de varens door en de grond nam het niet aan. Erlend zette zijn boog met het uiteinde in de grond. “Dat was door twee man heen.” “Ik had het oog,” zei Kettil. “Dat had je niet.” “Ik had het.” Hjalmar kwam de helling af met zijn hoorn in zijn hand en keek naar Ansgar en naar het zwijn en naar de hond en toen pas naar Kettil. Hij was jachtmeester van het huis Vestre en hij was dat elf jaar. “De beste schutter die ik heb,” zei hij en hij zei het tegen Erlend en niet tegen Kettil. “Daarom staat hij vanmiddag op de doorgang en jij niet.” Het was zijn naam niet en het scheelde weinig. Ansgar ging niet dood. Ze legden hem op twee sprieten met een mantel erover-heen en ze maakten de gordel om het half uur even los en dan kwam er bloed en dan draaiden ze hem weer aan. Zijn onderbeen werd wit en toen geelwit en het bleef koud. Hij vroeg om water en ze gaven het hem niet, want een man die bloed kwijt is en dan drinkt gaat overgeven en dan werkt de gordel los. Hij lag de rest van de dag in het kamp. Een heup die aan de binnenkant zo opengaat strekt niet meer. Grip stond nog. Hij stond met zijn kop laag en zijn achter-hand ingezakt en zijn buik hing open tussen zijn voorpoten door en hij keek naar Kjartan en hij kwispelde. Kjartan zette zijn knie op de schouder en drukte de kop in het gras en zette het mes achter het schouderblad naar binnen en naar voren. De hond schopte twee keer met een achterpoot en toen was het klaar. Kettil hield de kop vast, want dat had Kjartan ge-vraagd en de tong kwam eruit en lag over zijn vingers. “Ze waren te vroeg los,” zei Erlend. “Twee jonge honden op een beer die al geraakt is. Dat is niet de drijvers hun schuld.” “Ze waren niet los.” Kjartan veegde zijn mes af aan de vacht. “Ze zijn losgeraakt omdat er van de rechterhand ge-schreeuwd werd terwijl ik ze nog aan de lijn had. En dat was jouw hand.” “Ik heb niet geschreeuwd.” “Iemand op jouw hand.” “Zeg dan wie.” Kjartan stond op met het mes nog in zijn hand en Erlend deed niet één pas terug en er kwamen twee drijvers bij die niet wisten aan welke kant ze moesten gaan staan. En toen kwam er iemand bij staan. Hij had een lichte spriet bij zich en geen schild en hij droeg zuidelijke laarzen, die op deze grond niets waard zijn omdat de zool te glad is voor nat varenblad. Hij was gast. Zijn vader was Eskil, koning van het zuiden en die zat op dit ogenblik boven op de kam met de koning van het noorden en een kruik tussen hen in. De zoon had die ochtend nog niets geschoten en dat leek hem niet te storen. Hij ging naast de dode hond zitten op zijn hurken en legde zijn hand op de ribben en keek naar de wond onder de borst. “Van voren gekomen,” zei hij. “Die was niet bang.” “Dat was hij nooit,” zei Kjartan. “Hoe heette hij?” “Grip.” Solvi knikte en stond op en veegde zijn handen af aan zijn dij en keek naar de helling waar het dier vandaan was geko-men en hij zei dat de wind daar de hele ochtend de verkeerde kant op stond en dat je met die wind niets goed kon doen. Erlend zei dat dat zo was. Kjartan zei ook dat dat zo was. Erlend stak zijn duim achter zijn gordel en ging naar zijn boog toe en Kjartan ging naar de honden en er was geen ru-zie meer en er was niemand die zich afvroeg waar die was gebleven. Solvi kwam naar Kettil toe. “Jij schoot het oog.” “Ja.” “Ik stond op de rug en ik zag het van boven. Dat was door twee man heen.” Kettil zei niets. Het lag op zijn tong en hij kreeg het er niet uit. “Doe je dat vaker?” “Ik raak waar ik naar kijk.” “Dat zegt elke schutter.” “Dan zegt elke schutter dat.” Solvi lachte kort door zijn neus. “Hoe heet je?” “Kettil. Van het huis Vestre.” “Dan weet ik dat.” Hij tikte met de achterkant van zijn hand tegen Kettils boogarm en liep door naar de mannen van zijn eigen gevolg en Herjolf gaf hem een leren fles en hij dronk en gaf hem terug. Leif kwam naast Kettil staan met de reservepijlen tegen zijn borst. Hij was schildknaap en hij had die ochtend al zes keer gezegd dat de doorgang de beste post was. “Ze noemen hem de lichte,” zei hij. “De mannen van zijn vader. Ik heb het ze horen zeggen.” “Draag die pijlen goed. De veren zitten in de knik.” “Mijn vader heeft hier gestaan toen de koningen hier voor het eerst samen jaagden.” Leif tilde de bundel hoger. “Hij zegt dat hij het nog aan mijn kinderen gaat uitleggen en dat die het niet zullen geloven. Dat er niets gebeurde. Jaar na jaar niets. Hij heeft er een appelboom voor gezet en die draagt nog niet.” “Ze zitten niet in de knik,” zei Kettil. Leif keek naar de bundel en draaide hem om. “Weet je wat het is met de doorgang? Alles wat de vallei op gaat moet daar langs. Alles.” “Ik heb er gestaan.” “Ik zeg het maar.” Ze braken het zwijn open op de plek waar het lag, want een dier van dat gewicht draag je niet over een helling en je haalt er eerst uit wat het zwaarste is en het snelst bederft. De darmen kwamen er in één blok uit en de honden kregen de longen en de maag was vol beukennoot en de lucht ervan bleef in Kettils kleren hangen tot de avond. Ze hingen het aan de achterpoten aan een dwarshout tussen twee stammen. De pijl in het oog kregen ze er niet uit en Kjartan sneed hem af bij de veren. Solvi stond met zijn rug tegen de stam en keek toe. “Mijn vader jaagt hier eenenveertig jaar,” zei hij tegen Herjolf. “Met dezelfde man en op dezelfde rug en met hetzelfde hout tus-sen dezelfde twee bomen. Volgende zomer is mijn dochter twee en dan zet ik haar hier voor me op het zadel en dan kan hij het haar zelf vertellen.” “Twee is te jong,” zei Herjolf. “Dan drie.” Hjalmar zette de tweede drijf op. Hij had vier man nodig om Ansgar terug te brengen en die haalde hij van de linker-hand, want de linkerhand liep langs de beek. Dat is de kant waar het water het geluid al voor je maakt. Dat maakte de lijn daar dun over een stuk van driehonderd passen. Hij keek naar de zuidelijken en hij dacht er kort over na en toen zette hij ze erin. “De gasten op de linkerhand,” zei hij. “Op de beek. Blijf boven het water en houd de rug van de man rechts van je in zicht en loop niet vooruit. En als je de hoorn hoort, sta stil waar je staat.” Erlend kwam naar hem toe. “En de doorgang.” “Die staat.” “Ik heb daar elf jaar gestaan.” “En vandaag staat hij er.” “Geef hem de rechterhand en geef mij de twaalf passen. Dan hebben we allebei iets waar we voor deugen.” “Nee.” “Zeg waarom niet.” “Omdat hij niet mist.” Hjalmar deed de riem van de hoorn over zijn schouder. “Jij mist twee op de tien. Dat is goed en niet goed genoeg voor die twaalf passen. Ga naar de rechter-hand en zorg dat het daar niet weer misgaat.” Erlend spuwde in het gras en ging. Hjalmar liep met Kettil de rug op tot waar het pad zich splitste en daar bleef hij staan. “Twaalf passen tussen de rots en de doornen. Alles wat de vallei op komt moet daar tus-sendoor en het komt hard, want het komt uit de nauwte. Je laat het door de opening komen en dan pas schiet je, want als je te vroeg schiet gaat het de doornen in en dan zoeken we tot morgen.” Hij keek de vallei in. “En je gaat er niet vanaf. Vanochtend was je van je plek.” “Vanochtend stond ik nog niet op mijn plek.” “Dat is het antwoord van een jongen.” Hjalmar ging de andere kant op, naar de rechterhand en hij keek niet meer om. De mist kwam van de beek af. Om de middag stond er niets en twee uur later stond hij tot aan Kettils knieën en hij werd dikker en niet dunner. Dat doet hij in dat dal in de nazomer als de lucht boven kouder wordt dan het water. Beneden hoorde Kettil de beek en die klonk verder weg dan hij lag. De doorgang was twaalf passen breed. Aan de ene kant de rots met de wortels door de overhang heen, aan de andere kant de doornhaag, tien passen diep en dicht tot aan de rand van het steile stuk boven het water. Wie de vallei op wilde ging daartussendoor of hij ging het water in. Kettil stond met zijn rug tegen de rots. “Het is de beste post,” zei Leif. “Zeg het nog één keer.” “Ik zeg alleen dat het zo is. Erlend heeft er elf jaar gestaan en die staat nu op de rechterhand achter een steen waar niets langskomt.” “Ga zitten.” “Hij heeft het bij het hout tegen twee man gezegd. Hij zei dat de jachtmeester een jongen op de doorgang zet omdat een jongen niets kost.” “Dat heeft hij niet gezegd.” “Ik stond erbij.” Leif schoof de bundel onder zijn andere arm. “Wat zeg je vanavond als ze vragen wat er door de doorgang is gekomen?” “Dan zeg ik wat eruit gekomen is.” “En als er niets komt.” “Er komt iets.” Leif kwam naast hem staan en keek de doorgang in. “Ik zie de doornen niet meer.” “Nee.” “Kun je schieten in dit?” “Ik hoef het niet te zien.” “Dat is geen antwoord.” “Het is het antwoord dat je krijgt.” Erlend keek naar de nauwte en toen naar de mist die van de beek af kwam en toen naar hem. “Ik ga je één ding vragen,” zei hij. “Kun jij een schot laten liggen?” “Wat?” “Als er iets uit die nauwte komt en jij hebt hem en je hebt hem goed, kun jij hem dan laten liggen omdat ik dat zeg.” Kettil dacht daarover na en hij deed het te lang. “Ik weet het niet,” zei hij. “Dat is het eerlijkste dat je vandaag hebt gezegd.” “Zeg het dan nu. Zeg wat ik moet doen.” “Ik zeg het als het zover is,” zei Erlend en dat was wat hij zei en toen het zover was stond hij boven op de kam en stond Kettil in de mist en lag er tussen die twee driehonderd passen. “Dat is geen antwoord.” “Het is het antwoord dat je krijgt.” Vanaf de kop van de vallei begonnen de drijvers. Stokken op stammen in een traag ritme met de klap van de vlakke hand ertussen, van boven en van achter en het schoof lang-zaam naar hen toe. De honden gingen los aan de kop en dat hoorde je aan de hoogte. Toen hoorde Kettil mannen die praatten. Ze waren links en beneden en ze waren dicht bij het wa-ter. Mannen die drijven praten niet, ze slaan en ze slaan om-dat praten niet ver genoeg draagt en omdat er anders geen lijn is. Dit was praten. Twee stemmen en misschien drie, laag, met stiltes ertussen die te lang waren voor een lijn die loopt. “Hoor je dat?” zei hij. “Ik hoor de drijvers.” “De drijvers zijn boven ons en achter ons. Dit is beneden.” “Dan is het het water.” Leif kwam overeind. “Water doet dat. Mijn oom zei altijd dat je bij de beek hele gesprekken kunt horen die er niet zijn.” Kettil luisterde er nog een keer naar. Er zei er één iets met twee harde lettergrepen erin en er lachte er één kort en toen hield het op, onder hem en links, achter de doornhaag, bij het water. Hij deed twee passen naar de rand van het steile stuk en keek naar beneden en daar was grijs. De mist stond nu tot aan zijn borst en aan de overkant van de doorgang was de doornhaag een donkere plek zonder rand. Kettil kon de rots naast zich zien en hij kon Leif zien en hij kon de eerste drie passen van de grond zien en verder was er grijs en het grijs bewoog omdat mist altijd beweegt. De hoorn ging. Twee korte en dat betekent dat er iets in de lijn zit en dat het naar voren komt. De honden sloegen aan, alle drie tegelijk en ze kwamen de vallei op langs de linkerkant, langs het water. Er kraakte iets in het kreupelhout aan de voet van de doorgang. Het was laag en het was snel en het kwam de nauwte uit precies waar het uit moet komen en het hield niet in. Kettil trok door tot zijn duim tegen zijn kaak stond. Hij kon niets zien. Er was grijs en in het grijs zat een ver-dikking die zich verplaatste en verder was er niets, geen kleur en geen lijn en geen kop en geen rug en hij wist waar het was. Hij wist het zoals je weet waar je eigen hand is met je ogen dicht. En het kwam te hoog. Wat er de nauwte uit kwam liep. Het liep op twee benen en hij zag het niet en hij wist het. Hij had de pees op zijn kaak en de vingers open en het is één beweging en die is korter dan een gedachte. Hij zette zijn schouder naar links weg en hij liet zijn hand meegaan en hij liet los met de boog al uit de lijn, zoals je een steen weggooit die je niet meer wilt. De pijl ging waar hij hem had gehouden. Er kwam geen hoef op steen. Achter hem zei Leif iets wat geen woord was. Erlend, die er elf jaar had gestaan en die vanaf de rots alles had gezien behalve wat er in het grijs zat, deed één stap naar voren en bleef staan. “Dat was veertig passen,” zei hij. “In dat.” Hij zei er verder niets achteraan. Er kwam een geluid dat een man maakt als de lucht er in één keer uit gaat en daarna, van beneden, uit het grijs, een stem die iets kleins zei op de toon waarop je iets zegt tegen jezelf. En toen schreeuwde er iemand een naam de vallei in. Hij ging de helling af. Hij deed het met de boog nog in zijn linkerhand en hij gleed de laatste vijf passen op zijn zij door het natte varen-blad en het steile stuk boven het water gaf mee en hij kwam onder aan bij de stenen terecht. De mist stond daar dunner omdat hij van het water af trok. Herjolf zat in de beek op zijn knieën, tot boven zijn dijen in het water en hij had een hoofd tegen zijn borst. Solvi lag op zijn rug met zijn schouders en zijn achter-hoofd op de vlakke stenen aan de kant en met zijn heupen en zijn benen in de stroom. Zijn ene laars was weg. De schacht stond rechtop uit hem omhoog, een handbreed en de veren erboven en hij zat onder het rechtersleutelbeen en hij zat schuin naar boven, want hij was voorovergebogen door het kreupelhout gekomen en de pijl was van onderaf gekomen. Onder het sleutelbeen ligt de ader die de arm voedt en daaronder ligt de bovenkant van de long. Daar kun je niet op drukken. Er zit bot tussen je hand en de plek waar het ge-beurt en het bloed loopt naar binnen en niet naar buiten en wat je aan de buitenkant ziet is het kleinste deel van wat er weg is. Aan de buitenkant kwam er niet veel. Het welde om de schacht heen op en het liep over het sleutelbeen naar de hol-te van de hals en van daaruit langs zijn nek de steen op en het was donker. Hij ademde uit en er kwam roze schuim tus-sen zijn lippen door. Dat is de long. Herjolf keek op. “Wie ben jij?” “Kettil. Van het huis Vestre.” “Dan ben jij het.” “Ja.” “Kom hier en houd zijn schouder tegen de steen. En blijf van die schacht af.” “Haal dat eruit,” zei Solvi. “Laat het zitten,” zei Kettil. Herjolf had de schacht al beet. Hij zette zijn hand ertegen-aan en trok. Hij trok recht omhoog en niet in de lijn waarin de pijl erin was gegaan en het hout kwam mee en het ijzer bleef zitten. De weerhaken hadden het gedaan waar ze voor zijn. Solvi kwam met zijn hele bovenlichaam van de steen af en hij schreeuwde één keer, van diep en hij zakte terug en ademde vier keer heel snel. “Ik schreeuwde,” zei hij. “Neem me niet kwalijk.” “Dat mag.” “Ik schreeuwde als een kind.” “Je mag alles.” Nu kwam het bloed wel naar buiten. Het gat was open zonder hout erin en het welde niet meer, het liep en het liep over de steen in het water en het water nam het mee en trok het uit tot draden en verderop bij de tweede kei was het niets meer. Herjolf hield het gat dicht met zijn hand en zijn hand lag verkeerd en het liep tussen zijn vingers door en hij legde zijn andere hand eroverheen en toen liep het over zijn pols. “Uit het water,” zei Herjolf. “We halen hem uit het water.” Ze pakten hem onder de oksels en onder de knieën en ze tilden hem een halve pas de steen op en toen ging het sneller lopen en Solvi’s ogen gingen dicht en weer open. Ze legden hem terug. Koud water houdt het even tegen en zodra je zo’n man optilt is dat weg. Dat wisten ze geen van beiden en ze zetten hem terug omdat het minder werd. “Ik kwam van de verkeerde kant,” zei Solvi. “Praat niet,” zei Herjolf. “Ik kwam over de beek. De honden gingen door de nauw-te en ik dacht dat ik ze voor kon zijn.” Zijn stem was gewoon. “Mijn arm doet het niet.” Hij wilde zijn rechterhand optillen en er bewogen twee vingers en verder niets. Hij keek ernaar en hij keek er te lang naar en toen keek hij naar boven, langs Herjolf heen, naar Kettil. “Jij stond op de doorgang.” “Ja.” “Dan stond je goed.” Hij ademde twee keer en het ging niet diep genoeg. “Herjolf.” “Ik ben er.” “Zeg tegen mijn vader dat ik van de linkerhand af ben ge-gaan.” “Dat zeg je zelf tegen hem.” “Zeg het tegen hem.” Er kwamen mannen over de stenen aan van de linker-hand. Er sprong er één in tot boven zijn dijen. “Hoger. Leg hem hoger.” “Hij ligt goed,” zei Herjolf. “Hij ligt tot zijn kruis in het water.” “Hij ligt goed. Houd je mond.” “Wie heeft dat gedaan? Zeg wie dat gedaan heeft.” Iemand greep Kettil van achteren bij zijn kraag en trok hem twee passen achteruit en liet hem weer los. Boven aan de doorgang hielden de honden niet op. “Stil nou,” zei Solvi. Ze werden niet stil. Ze stonden om hem heen en ze praat-ten allemaal en er was er één die de hele tijd hetzelfde zei en Solvi zei het nog een keer en het hielp niet en hij deed zijn ogen dicht en liet het. Hij begon te rillen. Dat duurde een tijd en toen hield het op. Dat is niet beter. Zijn lippen werden grijs aan de randen en daarna in het midden en zijn huid werd wit met een gele on-dertoon rond zijn neus en het schuim aan zijn mondhoek werd lichter roze en er kwam meer van. “Herjolf.” “Ik ben er.” “Houd mijn hoofd omhoog.” “Dat doe ik al.” “Houd mijn hoofd omhoog.” Hij zei het op dezelfde toon en met dezelfde woorden en het was of hij het voor het eerst zei. Herjolf keek naar Kettil en Kettil keek naar het water dat langs de benen liep. “Volgende zomer is ze twee,” zei Solvi. Daarna zei hij nog iets waar geen van hen iets van ver-stond, twee lettergrepen en toen zei hij niets meer. Hij ademde nog en de ademhalingen werden korter en er zat een rammel in die van beneden kwam en niet uit de keel en ze kwamen dicht op elkaar en toen verder uit elkaar. Er ging een lange tussenuit. Er kwam er nog een. Er ging een langere tus-senuit en Herjolf zei zijn naam. Er kwam er nog een, korter dan alle andere en die ging er niet meer helemaal uit. Herjolf bleef zitten met het hoofd tegen zijn borst en het water liep langs hem heen en hij bewoog niet. Op de vlakke steen onder de schouder stond het bloed stil in een kom van een handbreed en het was daar al donker aan de rand. Hjalmar kwam van boven de helling af en ging tot aan de rand van het water en verder niet. Hij keek naar het lichaam en naar de plek waar de schacht had gezeten en toen de hel-ling op naar de doorgang en hij mat het met zijn ogen. Hij stak zijn hand uit. “Geef.” Kettil gaf hem de boog. Hjalmar nam hem aan en hield hem met beide handen vast en gaf hem niet aan iemand anders en zette hem niet neer. “En nu ga je daar staan en daar ga je niet vandaan.” Boven aan de helling kwamen ze met een mantel tussen twee sprieten, dezelfde die ze voor Ansgar hadden gemaakt en niemand ging het water in om hem erop te leggen. Eskil kwam het steile stuk af zonder zich ergens aan vast te houden. Hij had zijn mantel niet om en hij had geen wapen bij zich, want hij droeg er nooit een en hij ging het water in met zijn laarzen aan tot boven zijn knieën en de mannen gin-gen uit elkaar zonder dat er iets werd gezegd. Hij ging op zijn knieën in de beek naast Herjolf en hij nam het hoofd over met twee handen en hij zei de naam van zijn zoon één keer, gewoon, zoals je iemand roept die in de ka-mer ernaast is. Toen keek hij op. “Wie heeft geschoten?” “Een schutter van het huis Vestre,” zei Hjalmar. “Dat vroeg ik niet.” Kettil kwam het water in tot aan zijn knieën en bleef daar staan. “Ik.””
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
—
☆☆☆☆☆
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
Kronieken
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3
BETA READER DRAKENBLOED Boek 3
Drakenbloed · 3