CONCEPT BOOK ON SADAJA
DE DONDERKRONIEK
Report this book
nog te maken
View book
Keep me informed when this title goes on sale
Already have an account? Log in
Log in to save
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
nog te maken
PREVIEW
“1 DE HOORNBAND De koning wilde de tinmannen weg hebben voor het donker. Om zijn hoofd zat de band, leer met twee stukken hoorn erin geslepen, aan de binnenkant glad van twee hoofden zweet. Zijn vader had hem veertig jaar gedragen en hij droeg hem nu veertien. Hij had hem genomen en niet gekregen en in veertien jaar had niemand hem gevraagd of hij zwaar zat. Ze waren bij het eerste licht op de kam gezien, een rij van dieren en dragers die de hele ochtend over de hoge weg naar beneden was gekomen, veertig mannen van de putten. De vracht was de trap op gedragen en stond nu langs de muur van de zaal in de laatste warme zon van het jaar. In de man-den lagen koeken tin, dof en grijs, elk twee handen breed. Wie er een optilde deed dat met twee handen en zette hem neer met zijn hele rug. Veertig manden waren de zomer van de hele berg. De voorplaats van Ulumpa lag vol geluid. De dieren scho-ven met hun hoeven over de steen en ergens onder de muur sloeg een smid, twee slagen zwaar en één slag licht, de hele middag door. Het rook er naar dierenzweet en naar hars van de fakkelbakken en naar het hete stof dat van de hoge weg mee naar beneden was gekomen. De mannen van de berg waren grote mannen, zoals alle mannen van het tin groot waren. De voorplaats was te klein voor veertig van hen en hun dieren erbij. Ze wachtten zoals mannen wachten die van een berg af zijn en nog niet thuis, met de ruggen tegen de warme muur en de benen recht, blij met elke tel dat ze niets hoefden te tillen. Een jonge drager liet zijn schouders zakken en zei dat hij zijn eigen armen niet meer voelde. De oude naast hem zei dat dat kwam omdat er niks in zat om te voelen en de man-nen eromheen lachten laag, om de jonge, die zelf ook lachte, want op de hoge weg lach je met wie je uitlacht of je loopt hem de volgende keer alleen. Het was warm tegen de steen en de zon stond er nog een uur en voor dat uur wilde nie-mand van hen iets dan de zon en de rug tegen de muur. Bij het vorige spreken had hij ze laten overnachten. In die nacht had een putman een speerman van de wacht een kruik tegen de slaap geslagen om een vrouw die van geen van bei-den was. De speerman had daarna nog een half jaar geleefd en gegeten met een lepel die zijn moeder vasthield en hij was in de lente gestorven aan het vocht in zijn borst. De putman was van de hoge weg gegooid en de berg had er drie manden tin voor betaald en iedereen was er armer van geworden. Dit keer ging de berg naar huis met licht. Wie drinken wilde kon drinken in het eigen kamp aan de andere kant van de hoge weg, waar geen speerman van hem stond. Het spreken begon toen de zon van de oostmuur af was. De meesters van de putten kwamen één voor één onder aan de trap staan en zeiden wat hun put had gegeven, voor de koning en voor elkaar. Wat daar gezegd was, was gezegd. Zestig man hadden het gehoord en zestig man zouden het doorvertellen, in het kamp, aan de ovens langs het water, tot aan de kust toe. Hij zat boven aan de trap op de zetel van steen. Maro van de noordgangen sprak het eerst, een oude man met handen vol barsten die hij met vet dichtsmeerde. “De noordgangen geven wat ze moeten geven,” zei Maro. “Acht manden staan er van ons. We zijn twee dieren kwijt aan het ijs op de hoge weg. En we zijn Uvel kwijt, aan een gang die dichtging. Hij zat er vier dagen achter. De eerste dag riep hij. De tweede dag hoorden we zijn hamer op de steen en daarna niets meer.” “Heeft Uvel iemand?” zei de koning. “Een moeder, onder aan de hoge weg.” “Haar deel loopt door zolang ze leeft,” zei de koning. “Ik zal het haar zeggen,” zei Maro. Hij knikte en ging opzij. De koning was de grootste man op de voorplaats en hij was gewend dat er ruimte kwam waar hij liep. Over zijn ge-zicht liepen littekens waarvan hij er zelf drie kon thuisbren-gen. Hij sprak zelden luid en hij hoefde dat niet, want als hij sprak hield het andere geluid op. Tevin van de oostput kwam na hem, jonger, met een baard die aan één kant korter was omdat er vuur in had gezeten. “De oostput geeft wat hij altijd geeft,” zei Tevin. “Zes manden. En de natte galerij wil hout hebben voor de lente, veel hout en ik zeg het nu, want vorig jaar zei ik het te laat.” “Je krijgt je hout,” zei de koning. Na Tevin kwamen de kleine putten, drie meesters met samen twaalf manden. Ze zeiden hun deel en gingen opzij. De jongste van hen zei het te snel en moest het overdoen, want wat niet verstaan was, was niet gezegd. Elke meester maakte zijn put een handbreed armer dan hij was. Dat hoorde bij het spreken. Iedereen deed het en ie-dereen wist het van elkaar en het gaf niet, want het was elk jaar even groot. Als laatste kwam Buri voor de trap staan. Buri sprak voor de zonkant en daarmee voor de berg, want de zonkant was de oudste put en de diepste en had zijn vader gevoed en de vader van zijn vader. De zonkant lag een halve dag over de hoge weg, gangen die zo diep gingen dat de mannen er in de winter sliepen omdat het beneden warmer was dan boven. Hij was breed en kaal. In de plooien van zijn nek zat kalkwit stof en zijn rechterhand stond krom naar de vorm van veertig jaar hamer. “De zonkant heeft gegeven wat hij moest geven,” zei Buri. “Veertien manden staan er tegen uw muur, heer. De bergen geven wat ze altijd geven.” De laatste zin klonk dof. Wie brons keurt tikt het aan met een knokkel. Gezond gietsel zingt onder de knokkel. Gietsel met een barst erin praat dof en waar de barst zit hoor je er niet aan, alleen dat hij erin zit. Zo klonk de zin van Buri over de voorplaats, in de zon, tussen zestig man die niets hoorden. “Zeg dat nog eens,” zei de koning. “Veertien manden, heer.” “Het andere.” Buri keek naar de treden en weer omhoog. “De bergen ge-ven wat ze altijd geven,” zei hij. Het werd stil op de voorplaats. De meesters keken naar de stenen en Tevin schoof een halve pas bij Buri vandaan. “Hoeveel manden bracht de zonkant vorig jaar?” “Meer, heer. Het ene jaar wisselt met het andere. Een berg wisselt niet.” Hij keek langs Buri naar de meesters. Maro keek naar de dieren. Tevin keek naar zijn eigen dieren. De drie van de kleine putten stonden stil als één man. Er werd op zijn voorplaats over zijn berg gelogen en hij wist niet waarover. Om Buri te grijpen moest hij zeggen wat er dan wél waar was en dat wist hij niet. En elke vraag die hij hier verder stelde ging vanavond mee het kamp in en morgen de hoge weg over en voor de winter langs de ovens tot aan de kust. Dan was het geen vraag meer maar een verhaal: de zetel vertrouwt de berg niet. Hij liet het liggen. “Het spreken is gedaan,” zei hij. “Neem jullie deel en laad. Voor het donker is mijn steen leeg.” Het laden ging traag. De knechten droegen het deel van de berg de trap af en zetten het bij de dieren: zakken graan van de Zoutvlakte, kruiken olie, zout, gedroogde vis van de kust, alles wat een put nodig heeft om een winter door te komen zonder van de berg af te hoeven. Bij elk deel stond een kruik wijn van de zetel en die zat niet in de ruil. De muildieren stonden onge-durig te schuiven, want een dier dat een hoge weg voor zich heeft voelt het licht korter worden. De koeken tin gingen niet mee terug; die bleven tegen de muur staan tot de karren van de tinweg ze kwamen halen, naar de ovens aan het water, waar de Kuklen er brons van maakten met koper uit de heu-vels. De koning bleef boven aan de trap staan. Hij bleef daar niet voor het laden. Bij de dieren stond Maro met een man van de zonkant die Rask heette, pezig, grijs in de baard, met de linkerschouder hoger dan de rechter zoals bij iedereen die twintig jaar bo-ven zijn hoofd hakt. “Ik ga het zeggen,” zei Rask. “Wat zeggen?” “Wat jij ook weet.” Maro trok aan een zak die al recht hing. “Ik weet wat Buri bij het spreken gezegd heeft,” zei hij. “De zon-gangen lopen dood op vaste steen. Drie zomers achter elkaar. Wat er tegen die muur staat komt uit de oude storthopen en de hopen zijn leeg. Volgend jaar staat Buri weer op deze voorplaats en dan staat er geen mand meer achter zijn woorden en dan is het graan al gedeeld op tin dat er niet is.” “Dat is een zaak van de meesters.” “De meesters zwijgen met Buri mee. Jij ook.” Rask keek naar de stapel tegen de muur. “Ik heb een jongen in die gan-gen, Maro. Volgende zomer stuurt Buri hem de vaste steen in voor niets. En het jaar daarna vraagt de zetel waar het tin is en dan hangt niet Buri alleen. Dan hangen wij allemaal.” “Ik heb noordgangen. De noordgangen geven.” Maro keek over de voorplaats naar de trap. “En het is niet aan mij. Ze zeggen dat de Korwanos niet te bedriegen is. Als hij het we-ten wil, dan weet hij het.” “Dan zal iemand het hem eerst moeten brengen,” zei Rask. “Wacht dan tot het kamp,” zei Maro. “Stuur iemand van de zetel om hout te vragen en zeg het hem daar, zonder de berg erbij.” “Dan is het weer een jaar,” zei Rask. Hij veegde zijn handen af aan zijn broek en liep tussen de dieren door de voorplaats over. Halverwege zette hij zijn stem op. “Korwanos,” zei hij. De dieren trokken hun koppen op. De wacht onder aan de trap zette een speer schuin en de koning stak een hand op en de speer ging terug. Rask kwam tot de onderste trede. Hij boog niet. Bergmen-sen bogen niet voor de zetel, ze deden de kap af. Rask deed de kap af en hield hem met beide handen tegen zijn borst. “Heer,” zei hij, zacht nu. “De zonkant is leeg. De gangen lopen dood op vaste steen, drie zomers achter elkaar. Wat er tegen uw muur staat komt uit de oude storthopen en de ho-pen zijn op. Buri zegt het niet. Buri zegt het al zes jaar niet, eerst omdat hij dacht dat de berg —” Buri kwam over de voorplaats. Voor een man van zijn ge-wicht kwam hij snel en hij had een steenhamer uit een dier-pak genomen, een kop van groengrijze steen op een steel van een el, het gereedschap waarmee de zonkant gangen breekt. Niemand hield hem tegen, want iedereen keek naar Rask. De kop raakte Rask boven het linkeroor. Onder de muur hield de smid op met slaan. Rask ging op-zij tegen de treden en dan op de stenen en zijn benen bewo-gen niet mee. Boven zijn oor zat een kom in het bot, vier vin-gers breed, met de rand scherp onder de huid en op één plek erdoorheen. In de kom lag tussen het bloed iets bleeks dat geen bloed was. Uit zijn linkeroor liep bloed, eerst dun en toen dik en donker. Zijn rechterarm strekte zich langs zijn lijf en de hand draaide naar binnen met stijve vingers en bleef zo staan. Hij ademde door zijn neus, traag en diep, met een ronk erin. Hij plaste in zijn broek en de plas zocht een naad tussen de stenen en liep door tot aan de onderste tree. De kap lag naast zijn hoofd. Hij had hem nog vast. De eerste vliegen zaten op het bloed voordat de wacht Buri tegen de grond had. Een knecht van de keukens draaide zich om en braakte naast de trap en niemand zei er iets van. Niemand riep om een genezer. Voor een kom in de schedel bestaat er geen genezer, alleen tijd. De mannen van de berg kwamen dichterbij, in een halve kring op een afstand die niemand had afgesproken. Ze deden hun kappen af en hielden ze in hun handen. Buri lag onder drie speermannen met zijn wang op de steen. “Hij trok een mes,” zei Buri. De koning kwam de trap af. Hij raapte de hamer op en woog hem in één hand en keek naar Rask en naar de handen van Rask, de ene stijf in de lucht en de andere om de kap. “Waar is het mes dan?” zei hij. Niemand zei iets. Rask ademde. Maro kwam tussen de dieren vandaan. Hij deed zijn man-tel af en legde hem over Rask heen, over de buik en de benen, want een mens die doodgaat wordt koud van onderen op. Toen ging hij naast hem op de stenen zitten en nam de stijve hand en hield hem vast. Hij praatte er zacht bij, met zijn hoofd dicht bij het hoofd van Rask. “Ik breng je deel naar je jongen,” zei Maro. “Voor de sneeuw ben ik er. Ik zeg hem dat je je kap af had.” De hoge weg over zonder mantel was in de-ze tijd van het jaar een nacht die een man met zijn vingers betaalde en Maro was de oudste man op de voorplaats en hij vroeg zijn mantel niet terug. Rask deed er lang over. De zon ging van de voorplaats af en de schaduw van de muur schoof over hem heen en het ronken werd trager, met langere gaten erin. Twee keer hield het op en begon het weer. Niemand laadde. Tegen de tijd dat de wacht vuur bracht hield het ronken op. Maro legde de hand neer die hij vasthad en vouwde hem om de kap heen, bij de andere. De koning had al die tijd op de onderste trede gestaan met de hamer in zijn hand. “Zet hem op zijn knieën,” zei hij. De speermannen zetten Buri op zijn knieën, twee passen van Rask af. Buri keek niet naar Rask. Hij keek naar de hamer. “Wat zei hij tegen mij, Buri?” “Dat heb ik niet gehoord, heer.” “Waarom sloeg je dan?” De mond van Buri ging open en weer dicht. Toen boog hij zich zo ver naar voren als de speermannen het toelieten en hij zei het zo zacht dat alleen de koning het horen kon. “U hoorde het al, heer. Bij het spreken. Ik zag het aan u. En u liet het liggen.” De koning stond stil. Op de voorplaats stonden veertig man van de berg en twintig van de wacht en niemand van hen verstond wat daar gezegd was. “Spreekt er iemand voor Buri?” zei hij, hardop. Niemand sprak. Buri keek de kring rond, langs Tevin en langs Maro en langs de meesters van de kleine putten. Nie-mand gaf hem zijn ogen terug. “Je hebt een man doodgeslagen voor mijn trap,” zei de koning. “Voor mijn ogen, op mijn steen, met zijn kap in zijn hand. Daar staat de berg niet boven. Jij niet en ik niet.” “Veertig jaar zit ik in de zonkant, heer. Vraag de meesters wat ik waard ben.” “Dat weet ik al,” zei de koning. Hij stuurde de speermannen drie passen terug en deed het zelf. Hij was een kop groter dan Buri en hij sloeg van bo-ven naar beneden, één keer, op dezelfde plaats boven het oor. Wat bij Rask lang had geduurd ging hier in één keer. Buri viel voorover naast zijn voorman en zijn voeten schoven nog even over de steen en toen niet meer. Er kwam minder bloed uit dan bij Rask en het zocht dezelfde naad. De voorplaats rook nu naar bloed en naar pis en onder de warme stenen door kwam de lucht van de dieren erbij. Bij Rask hadden de mannen van de berg hun kappen afge-daan. Nu deed niemand iets. Ze stonden en keken en hielden hun kappen op en de koning zag het. Hij gaf de hamer aan de dichtstbijzijnde speerman. Die hield hem van zich af. Maro stond op van de stenen. “Laat ons Rask meenemen, heer,” zei hij. “De zonkant in. Hij heeft daar een zoon.” “Neem ze allebei,” zei de koning. “De berg begraaft de berg.” Ze legden Rask op een laadplank met de kap op zijn borst en zijn armen erover gevouwen en ze lieten de mantel van Maro liggen waar hij lag. Hij keek naar het licht. Onder aan de hemel zat al rood en de hoge weg was een half dagdeel en wie er in het donker op ging brak een dier of een been. “Er gaat vandaag niemand meer,” zei hij. “Maak vuur op de voorplaats. Geef ze te eten van de keukens. Bij het eerste licht is mijn steen leeg.” Hij liep de trap op. Bij de manden bleef hij staan en lichtte een deksel en nam er een koek tin uit en woog hem in zijn hand. De koek woog wat een koek weegt. Hij legde hem terug en deed het deksel dicht. Boven bleef hij staan met zijn hand aan de deurpost en keek naar de bergen, waar op de hoge kammen de eerste sneeuw lag. Beneden sloeg iemand vuur en de eerste stapel hout ging branden en veertig man gingen eromheen zitten zonder te praten. Bij de delen onder de muur stonden de kruiken wijn van de zetel. Hij keek ernaar en liet ze staan. Hij zette twee man extra op de poort en twee op de trap. Bij het eerste vuur zat Maro zonder mantel naast de laadplank. Hij ging naar binnen. In de zaal brandde het grote vuur. Het rook er naar vet en naar rook en onder de tafel lagen de honden. Ilai had de kinderen aan tafel gehouden. Het vlees was koud geworden en niemand was begonnen. Tessa sliep tegen de schouder van haar moeder met een vuist in de stof van haar jurk. Ze werd even wakker toen de deur dicht-viel en Ilai legde een hand op haar rug en ze sliep weer. Denu sneed het vlees van Sarn in stukken, want Sarn wachtte ner-gens op en brandde zich anders aan alles. Sarn zat op zijn knieën op de bank en was er al twee keer af geweest. Hij gleed voor de derde keer bijna van de bank en Denu had hem bij de riem voor hij de grond zag. “De bank duwt,” zei Sarn. “De bank duwt niet.” “Deze wel. Hij duwt als niemand kijkt.” Denu duwde hem terug op zijn plaats en hield zijn hand op zijn rug tot hij zat. Wenna keek van opzij toe en trok haar mond streng en het lukte haar niet helemaal. Toen keek ze van haar vader naar haar moeder en weer terug en zei niets. Pella schonk water voor wie het vroeg en voor wie het niet vroeg. De tafel was lang en er was geen bank leeg. Nira had het vlees gebracht toen de zon nog op de muur stond en ze had Ilai alles verteld wat er vanaf de keukentrap te zien was geweest, zonder dat Ilai iets had gevraagd. Ze had het verteld zoals ze alles vertelde, achterstevoren en met de doden eerst. Hij ging zitten op zijn plaats aan het andere eind en at het koude vlees. “Er zijn vuren op de voorplaats,” zei Sarn. “Ik zag ze van de muur. Mag ik erheen?” “Nee,” zei Ilai. Ze keek naar de deur en toen naar haar man. “Buri,” zei ze. “Ja.” “Hij droeg Denu op zijn nek toen Denu drie was. Hij bracht elke herfst zout voor me mee, buiten zijn deel om.” “Hij heeft vanmiddag een man de schedel ingeslagen op mijn voorplaats,” zei hij. “Ik heb hem hetzelfde gegeven.” Denu keek op. “Waarom deed hij het?” zei Denu. “Dat heeft hij niet gezegd.” “Wat had die andere man gedaan?” “Niets. Hij had zijn kap afgedaan en hij stond onder aan de trap.” Denu dacht daarover na met zijn mes stil boven het bord van zijn broer. Toen sneed hij verder. Toen het eten op was stuurde Ilai ze de trap op. Denu nam Tessa uit de armen van zijn moeder en droeg haar naar boven, met haar gezicht in zijn hals. Hij deed dat elke avond en niemand had het hem ooit gevraagd. Sarn ging pas bij de derde keer en Wenna ging achteruit de treden op, met haar ogen op de tafel, tot Pella haar bij de hand nam. Toen waren ze alleen. “Die man bij de trap,” zei Ilai. “Nira zegt dat hij eerst met je gesproken heeft. Zacht, met zijn kap in zijn hand.” “Hij heette Rask.” “Wat kwam Rask je brengen?” Hij nam de band af en legde hem op de tafel. De hoorn was warm van zijn hoofd. “Klachten over Buri,” zei hij. “Die komen elk jaar.” “Voor klachten slaat een meester geen man dood onder aan jouw trap,” zei ze. Hij zei niets. Ilai vroeg niet door. Ze wachtte. Hij at koud vlees en zei niets. Het duurde lang. Er waren aan deze tafel niet veel mensen die dat volhielden. Buiten gooide iemand hout op een vuur en de vonken kwamen tot boven de muur uit. “Veertig man op de voorplaats en de passen gaan dicht,” zei ze. “Er ligt hier straks sneeuw tot aan de deur. Ik moet weten wat ik de winter in stuur, naar de zonkant en naar de noordgangen en naar de moeder van Uvel. Wat gaf de zon-kant dit jaar.” Hij keek de tafel af, langs de lege borden en de banken waar zijn kinderen hadden gezeten, naar zijn vrouw aan het andere eind. “De bergen geven wat ze altijd geven,” zei hij.”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
—
☆☆☆☆☆
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
Kronieken
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
BETA READER DRAKENBLOED Boek 3
Drakenbloed · 3