CONCEPT BOOK ON SADAJA
Ashcrown Boek 5
Report this book
Boek 5 • End of Titans Vela Hassan staat op het dek van de Pourquoi-Pas wanneer de eerste signalen zich uit de Atlantische rug losmaken. Marek Volkov sluit het raam van zijn werkkamer in Moskou wanneer hij voor…
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
Boek 5 • End of Titans Vela Hassan staat op het dek van de Pourquoi-Pas wanneer de eerste signalen zich uit de Atlantische rug losmaken. Marek Volkov sluit het raam van zijn werkkamer in Moskou wanneer hij voor het eerst onder zijn ribben voelt wat zijn vrouw Yelena niet had kunnen uitleggen. Pema legt haar handen op het hekwerk van het klooster in Mêdog wanneer zij weet dat haar abdis vannacht niet meer zal opstaan. Drie mensen op drie continenten. Hetzelfde patroon onder hun lichaam. Vier slagen op zeven seconden, zachter dan een hartslag, ouder dan beschaving. In het slot van M. da Palma's vijfluik komt de wereld tot stilstand op vijftig plekken tegelijk. Wat dragend was, blijkt te zijn doorgegeven. Wat onbenoembaar was, krijgt eindelijk de naam waaronder de mensheid hem zal blijven leren onthouden. The Fournier Moment — afronding van de ASHCROWN-saga. Het einde van de saga. Het begin van iets dat geen patroon meer heet.
“PROLOOG Het was nog geen vier uur en de bel had nog niet geluid toen Pema haar ogen opende. Haar cel was donker. Buiten de muur, ergens hoog tussen de bergen en de stenen die de heuvel droegen, sleepte de wind zich over het pannendak van het hoofdgebouw. Ze kende dat geluid. Het deed iets met haar borst voor ze het toeliet — een spanning, geen pijn, het soort herkenning dat een lichaam heeft voor een dag begint. Ze stond op zonder de deken volledig af te leggen. Haar voeten vonden de planken in een volgorde die ze niet hoefde te zien. Drie passen, een halve, dan de drempel. Het was vier graden in haar cel, schatte ze, misschien drie. In de gang was het minder. De gang liep langs vier andere cellen, allemaal stil, en kwam uit op de buitenpoort die naar het binnenhof leidde. De andere zusters sliepen nog. Dat was haar gewoonte. Ze stond eerder op dan de orde van haar vroeg. Het was geen vroomheid. Het was tijd voor iets dat geen vorm had en geen naam. In het binnenhof was geen licht. Het was de oudste plek van het klooster, gemarkeerd door één boom waarvan ze de soort nooit had gevraagd. De boom stond schuin omdat de wind hem zo had gehouden. Onder de boom lag een platte steen, ongeveer zo lang als een man. Niemand wist meer wie hem daar had gelegd. Pema ging niet op de steen zitten. Ze ging ernaast zitten, in kleermakerszit op de aarde, in een houding die haar grootmoeder haar had geleerd voor ze meer woorden kon onthouden dan ze nu nog had. Ze ademde in. Vier tellen. Adem uit. Zes tellen. Pauze. Een ritme dat geen ritme heette. Het was haar ademen, niet meer en niet minder, en als ze er goed naar luisterde was het meestal stiller dan ze verwachtte. In de stilte hoorde ze het. Onder haar adem lag iets — vier tonen op zeven seconden — die frequentie, later zou zij leren, was 2.61 Hz in haar lichaam — half van wat instrumenten elders 4.7 Hz zouden meten. Maar nu had zij alleen het lichaam dat het ritme kende. Ze telde het niet meteen. Eerst dacht ze dat het haar eigen hart was, te snel of te traag. Ze keek naar haar pols. Het ritme van haar hart was anders, kalmer. Toen dacht ze dat het de boom was, dat de wind iets had losgeschud. Maar er was geen wind in het binnenhof. Ze hield haar adem in. Zeven seconden. Vier tonen. Ze ademde uit. Zeven seconden. Vier tonen, exact dezelfde plek in de zeven, alsof iemand of iets de ruimte had ingedeeld voor ze er aandacht aan had besteed. Pema was achtentwintig. Ze had veel geluiden gehoord in haar leven, en de meeste daarvan hadden een herkomst. Voetstappen in een gang. Kraaien voor de regen. De stem van de oudste zuster die altijd op dezelfde manier “ja” zei voor ze nee bedoelde. Dit geluid had geen herkomst. Het kwam niet uit een richting. Het was er, op de plek waar ze zat, en ook in de ruimte erboven en eronder, gelijktijdig. Onder de tonen, zachter, lag een melodie die ze niet kende en niet ooit had geleerd — drie tonen omlaag, één omhoog, zes seconden lang, dan stilte, dan opnieuw. Ze neuriede haar niet. Ze wist niet eens dat ze er was. Maar haar borstkas bewoog in dat patroon zonder dat ze het besloot. Ze probeerde het te negeren. Ze keerde terug naar haar adem en telde alleen wat van haarzelf was. Vier in, zes uit. Pauze. Vier in, zes uit. De tonen bleven. Ze stoorden niet en wachtten niet. Ze waren er zoals stenen er zijn, of zoals ergens een rivier doorgaat met stromen ook als er niemand bij de rivier zit. Toen het lichter werd, niet door zonsopkomst maar door iets daarvoor — een grijs dat het zwart ontkrachtte zonder het te vervangen — werd de bel geslagen. Hij hing aan de noordmuur en hij werd geslagen door zuster Tsering, die het altijd deed en die het altijd op exact hetzelfde ogenblik deed: één slag, drie ademen pauze, één slag. Pema kende het. Ze had het achthonderdvijftig keer gehoord, of negenhonderd, ze had ooit geteld en was gestopt bij elfhonderd omdat het niet hielp om het te tellen. De bel scheidde zich helder van wat ze nog steeds onder haar adem hoorde. De bel was van metaal en van Tserings hand. De tonen waren van iets anders, en van geen plek. Toen wist ze, op een manier die zelfs niet de vorm had van een gedachte, dat wat ze hoorde niet uit het klooster kwam. Ze stond op. Haar knieën waren stijf en ze liet ze stijf zijn. In de gang ontmoette ze zuster Dolma, die in de derde cel sliep en die elke ochtend al stond te wachten voor ze geroepen was. Dolma keek naar Pema. De afspraak van het eerste uur stond toe dat geen van beiden sprak, en Dolma hield zich daaraan, en Pema knikte eenmaal omdat dat ook de afspraak was. Maar Dolma keek iets te lang. Pema merkte het en wist niet of het iets te lang was omdat Dolma iets zag, of omdat zijzelf het zo voelde. In de gebedszaal stonden ze in een halve cirkel. Pema’s plek was de derde van rechts, altijd. De oudste zuster, abdis Tenzin, stond in het midden en sprak het eerste gebed langzamer dan een gewone mens zou kunnen. Het gebed had drieënvijftig regels en duurde precies negen minuten en veertig seconden. Pema kende die tijd in haar voeten. Tijdens het gebed luisterde ze opnieuw. De tonen waren er nog. Ze lagen onder de stem van Tenzin zoals een wijdere kamer onder een kleinere ligt, niet bedreigend, niet uitdagend, alleen aanwezig. Ze probeerde te bidden door ze heen. Het gebed bewoog en de tonen bewogen en ze bewogen niet op hetzelfde ritme — vier op zeven van de tonen, één op vier of vijf van het gebed. Ze deelden geen wiskunde. Ze deelden alleen ruimte. Halverwege het tweede gebed keek Tenzin naar Pema. Niet lang. Eén heffing van het oog, dan terug. Pema voelde het in haar borst zoals je een steen voelt die in een meer valt waarvan je de oever niet ziet. Tenzin had haar bekeken zoals iemand een raam bekijkt om te zien of er iets achter staat. Pema bleef zingen. De rest van het gebed ging voorbij zonder verdere blik. Na het ontbijt — boterthee, tsampa, één rauwe abrikoos die Dolma deelde omdat ze er twee had — liep Pema terug naar haar cel. De zon was inmiddels boven de berg uitgekomen, of liever, het licht was inmiddels boven gekomen, want de zon zelf bleef nog een uur achter de hoogste rij toppen. Ze ging op de rand van haar slaapplek zitten. Ze keek naar haar handen. Ze waren oud voor achtentwintig, beslist eelt op de duim van de rechterhand omdat ze schreef en links omdat ze sneed. Ze keek naar haar handen en luisterde. De tonen waren er, zwakker nu maar er, en iets in haar wist dat ze niet zwakker waren geworden omdat ze waren afgenomen maar omdat zij ze minder hoorde, en dat was niet helemaal hetzelfde. Ze zou er niet over praten. Niet vandaag. Misschien niet morgen. Tenzin had haar bekeken, dus Tenzin wist iets, en Tenzin wist altijd iets eerder dan ze het zei. Pema vertrouwde dat. Wat ze niet vertrouwde was haar eigen wens om te begrijpen wat ze hoorde, want die wens had de neuropoot van een jong dier — gretig, ongeduldig, gedragen door honger. Honger was geen goede leraar. Dat had haar grootmoeder ook gezegd, voor ze haar woorden verloor. Ze stond op. Ze legde haar handen op de muur. Koud. Ze legde haar oor er ook tegen. De muur droeg niets door dan de gewone vibraties van een gebouw dat door wind werd geraakt. Vier op zeven kwam niet door de muur. Vier op zeven kwam ergens anders door.”
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES
ashcrown
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3