BETA READER BOOK ON SADAJA
Split Creek
Report this book
Elke ochtend zit Jack Kalynski aan hetzelfde tafeltje in de cafetaria van Split Creek. Vanille milkshake. Kers bovenop. Veertien jaar lang. De postbode weet het. De serveerster weet het. Het hele stadje weet het. In Split Creek weet…
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
Elke ochtend zit Jack Kalynski aan hetzelfde tafeltje in de cafetaria van Split Creek. Vanille milkshake. Kers bovenop. Veertien jaar lang. De postbode weet het. De serveerster weet het. Het hele stadje weet het. In Split Creek weet iedereen alles van iedereen — of denkt dat te weten. Als rechercheur Hal Murdoch arriveert om een vermissing te onderzoeken, treft hij een gemeenschap aan die haar eigen regels kent. Mensen die kijken maar niet zien. Buren die praten maar niet spreken. Een serveerster die meer begrijpt dan ze laat merken. En een klusjesman die overal komt, bij iedereen het slot repareert en de goten schoonmaakt, en die door niemand werkelijk wordt opgemerkt. Terwijl Hal zich vastbijt in een zaak die steeds donkerder kleurt, ontdekt hij dat de stilte van een klein stadje niet hetzelfde is als rust. Dat gewoontes niet hetzelfde zijn als onschuld. En dat de man die iedereen kent, misschien niemand is die iemand werkelijk kent. Split Creek is een literaire thriller over kijken en zien, over de dingen die we over onze buren weten en de dingen die we niet willen weten. Over een stadje dat langzaam beseft dat het gevaar niet van buiten kwam — maar al die tijd aan het tafeltje bij het raam zat. Met een kers bovenop.
“PROLOOG De warmte begon bij zijn schouder. Het was altijd de schouder. Alsof iemand daar een hand legde die er niet was en die er toch was en die zei: nu. Hij liep door een straat die hij kende zonder te weten wanneer hij was begonnen met lopen. De huizen stonden er zoals ze altijd stonden. De lantaarns brandden. Een kat schoot onder een auto. Zijn handen waren warm. Zijn handen waren altijd warm als het begon. Hij zag de vrouw driehonderd meter verderop. Ze liep alleen. Haar hakken tikten op de stoep, een regelmatig geluid dat de stilte markeerde in plaats van het te vullen. Hij versnelde niet. Hij hoefde niet te versnellen. Ze liep naar huis. Hij wist waar ze woonde. Hij had er vorige week de goot schoongemaakt. De sleutel lag in zijn jaszak, naast de schroevendraaier en het potlood waarmee hij zijn werkboek bijhield. De vrouw sloeg rechtsaf. Hij sloeg rechtsaf. De straat werd smaller. De lantaarns stonden verder uit elkaar. Het donker tussen de lichtcirkels werd breder. Zijn handen bewogen langs zijn zij, de vingers die zich openden en sloten op een ritme dat niet van hem was. Ergens diep in zijn borst klopte iets dat geen hart was. HOOFDSTUK 1 De milkshake stond op tafel, vanille, met een kers die bovenop lag en een beetje was weggezakt in het schuim, een trage beweging die alleen zichtbaar was wanneer je ernaar keek. Het glas was dik en koud, een waas van vingers zat op het oppervlak van de vorige keer, en Jack schoof het een paar centimeter naar zich toe zonder er meteen iets mee te doen. Zijn hand lag plat op het blad van de tafel. Het formica plakte licht, zoals het altijd plakte op dit tijdstip van de ochtend wanneer het schoonmaakmiddel al begon te werken, maar de warmte van de eerste gasten het oppervlak nog niet had opgedroogd. Bij de balie stonden Gus Mallory en Frank Dwyer met hun kopjes voor zich. “Kijk,” zei Gus. “Tien over negen. Vanille. Kers. Als een klok.” Frank nam een slok. “Je houdt hem bij.” “Ik houd iedereen bij. Beroepsziekte.” “Veertien jaar hetzelfde bestellen. Dat is geen gewoonte, dat is een stoornis.” Gus lachte kort. “Jij eet elke dag hetzelfde brood, Frank.” “Dat is iets anders.” “Hoezo.” “Omdat brood normaal is.” Eleanor passeerde met de kan en schonk bij zonder te vragen. “Een man die weet wat hij wil hoeft niet te zoeken,” zei ze. Gus wees met zijn kopje naar haar. “Zie je. Zij begrijpt het.” Frank schudde zijn hoofd en dronk zijn koffie. Martha duwde de keukendeur open met haar heup, borden op haar arm. “Zit-ie er weer.” Het was geen vraag. “Elke dag hetzelfde. Milkshake, kers, niks zeggen, weggaan. In mijn cafetaria. Alsof het een wachtkamer is.” Eleanor zei niets. “Dat is eenzaamheid, Eleanor.” “Dat is rust.” “Hmpf.” Martha zette de borden neer, te hard. “Rust. Alsof een man van vijftig in zijn eentje een milkshake drinkt omdat hij zo lekker tot rust komt.” Ze liep terug naar de keuken. Jack pakte het rietje, draaide het een keer tussen zijn vingers en stak het in het glas. De eerste slok was altijd het beste: zoet, dik, koud genoeg om zijn tanden te voelen. Hij dronk langzaam. Buiten reed een auto voorbij. De cafetaria deed wat ze deed. Jack dronk en keek naar niets en dat was precies genoeg. Lillian zette haar thee neer en tuurde door het raam op een manier die net iets meer was dan haar gewone kijken. Eleanor stopte naast haar. “Wat zie je?” vroeg ze. “Dorothy Halvorsen,” zei Lillian. “Ze loopt de Elmlaan af.” Eleanor keek op. “Vroeg.” “Ze loopt altijd vroeg, maar vandaag anders.” “Hoe anders?” Lillian dacht even na voor ze antwoordde. “Langzamer. Alsof ze ergens naartoe loopt, maar nog niet heeft besloten waar.” Eleanor keek door het raam. De Elmlaan liep scheef langs het zijvlak van de cafetaria en was van hieruit, maar gedeeltelijk zichtbaar, net genoeg om een beige jas te onderscheiden, een vlecht, een tas aan de linkerarm. “Ze heeft haar zware jas niet aan,” zei Eleanor. “Nee,” zei Lillian. “Het is te koud voor die jas.” “Dat weet ze ook.” Eleanor keek nog even. “Ze is een volwassen vrouw,” zei ze ten slotte. “Ja,” zei Lillian. “Dat is ze.” Ze keek terug naar haar thee. Eleanor liep door naar de volgende tafel, maar Lillian bleef kijken naar de plek op de straat waar Dorothy al verdwenen was achter de hoek van het gebouw. Ze draaide haar krant om, naar de goede kant, maar las niets. Jack dronk zijn glas leeg. Hij liet het staan en legde het kleingeld ernaast — altijd meer dan de prijs, altijd zacht. De jonge serveerster die hij niet kende kwam langs, keek naar het geld en zei hem een fijne dag. Jack stond op, trok zijn jas aan, pakte zijn gereedschapskist. Bij de balie draaide Gus zich om. “Drukke dag, Jack?” “Gewoon.” “Die lantaarnpaal bij het park staat scheef.” “Ik doe hem als eerste.” Hij duwde de deur open en het geluid van de cafetaria viel weg. Jack bleef lopen. Zijn pas vertraagde geen moment. De straat was dezelfde, de lucht was dezelfde, zijn gereedschapskist woog wat ze woog. Er was een lantaarnpaal bij het park die aandacht nodig had en stoeptegels die hij moest controleren. Dat was de dag. Hij liep door. Maggy Carter duwde de deur van de cafetaria open met haar heup, omdat ze haar handschoenen in haar ene hand hield en haar tas in de andere en geen vrije hand had, en ze stapte naar binnen op een manier die de ruimte onmiddellijk registreerde ook al keek niemand direct op. Gesprekken vertraagden een fractie. Blikken verschoven zonder zichtbaar te draaien. Dat was Maggy: ze nam ruimte in zonder erom te vragen en zonder het te merken, wat het effect versterkte. Ze keek langs de tafels en liep naar de eerste vrije plek bij het raam. Maggy keek. Dat was wat ze deed — ze keek naar dingen zoals een tekenaar keek: niet naar het geheel, maar naar de lijnen, de hoeken, de schaduwen die vielen waar ze niet hoorden te vallen. Ze had het gezicht van Jack getekend, een keer, op een middag in de cafetaria toen hij aan zijn tafeltje zat en niet wist dat iemand keek. Ze had het weggegooid. Niet omdat het niet leek. Omdat het te goed leek. Omdat er iets in de lijnen zat dat ze niet kon benoemen en dat ze niet op papier wilde hebben. Eleanor was er al voor Maggy haar tas had neergezet. “Je bent laat,” zei ze. Maggy keek haar aan met een uitdrukking die het midden hield tussen geamuseerdheid en vermoeidheid, het gezicht van iemand die dit gesprek had verwacht voor ze binnenkwam. “Ik ben exact op tijd voor iets wat geen tijd had.” Eleanor hield haar hoofd schuin. “Dat klinkt als een excuus.” “Dat klinkt als realiteit.” “Realiteit betaalt slecht.” “Niet iedereen werkt voor geld.” “Bijna iedereen.” “Bijna.” Eleanor schonk koffie in, zwart, dat wist ze. “Wat deed je dan zo laat dat het geen tijd had?” vroeg ze. Maggy keek naar het raam. “Ik stond bij het veld,” zei ze. “Bij de bosrand. Een tijdje. Ik weet niet precies hoe lang.” “Waarom?” “Gewoon. Ik wilde ergens staan waar het stil was. Niet stil zoals hier stil. Anders stil.” Eleanor keek haar aan zonder haar beweging te onderbreken. “hoe laat stond je op?” vroeg ze. “Zes uur.” “Waarom?” “Kon niet slapen.” “Iets aan de hand?” Maggy keek haar aan. “Moet er iets aan de hand zijn als je niet slaapt?” Eleanor veegde de rand van de tafel droog. “Niet per se. Maar bij jou meestal wel.” Maggy glimlachte, kort en echt, het soort dat niet bedoeld was om gezien te worden, maar toch was. “Niets wat een naam heeft,” zei ze. “Gewoon het hoofd dat doorgaat terwijl de rest wil stoppen.” Eleanor zei dat ze dat kende. Maggy zei dat iedereen dat kende. Eleanor zei dat dat niet altijd hielp. “Nee,” gaf Maggy toe. “Dat helpt niet altijd.” Eleanor pakte de kan en zei dat ze een broodje apart zou zetten. Maggy zei dat dat niet hoefde. Eleanor zei dat ze het toch deed en liep door. Maggy liep die avond naar huis via de korte route — de Hopstraat, linksaf de Tweede in, rechtsaf haar eigen straat. Het was donker en koud en ze liep snel, niet uit haast, maar uit gewoonte, het tempo van iemand die de weg kende en die niet hoefde na te denken over waar ze haar voeten neerzette. Thuis deed ze de deur open en de deur dicht en haar jas uit en haar schoenen op de mat en de lamp aan in de keuken. Ze zette water op. Ze at een boterham staand bij het aanrecht, zonder bord, de kruimels die ze wegveegde met de zijkant van haar hand. Toen het water kookte zette ze thee en ging aan de keukentafel zitten en opende het schetsboek dat daar lag op de plek waar andere mensen een krant hadden of een puzzelboek of niets. Het schetsboek was dik — honderdtwintig pagina’s, de eerste helft al vol. Ze sloeg het open op de volgende lege pagina en pakte het potlood dat in de rug was gestoken en begon te tekenen. Niet iets specifieks, niet iets wat ze had gepland — haar hand begon en haar hoofd volgde, zoals het altijd ging als ze tekende, de manier waarop sommige mensen hardop praatten om te weten wat ze dachten. Ze tekende de toonbank van de cafetaria. De lijn van het hout, de plek waar Eleanors elleboog altijd leunde als ze luisterde, de barst in het blad die niemand liet repareren, omdat hij er altijd al was geweest. Ze tekende de stoel bij het raam — haar stoel, de stoel die niemand anders nam op dinsdagochtend. Ze tekende het raam zelf, de lijst, de ruit die aan de onderkant iets bol stond van de ouderdom van het glas. Het duurde een halfuur. Ze keek naar de tekening. Het was geen goede tekening en geen slechte tekening — het was een tekening die klopte, die de dingen liet zien zoals ze waren, zonder ze mooier of lelijker te maken dan ze waren. Dat was genoeg. Dat was altijd genoeg geweest. De diner heette Walker’s en lag een straat verder dan de cafetaria, kleiner en stiller, met rode bankjes die ooit nieuw waren geweest en nu gewoon vertrouwd waren. Vernon Pratt zat er al voor de meeste anderen en zou er nog zitten als de meeste anderen al weg waren. Hij had niets besteld behalve koffie, en die stond voor hem op tafel, volledig onaangeroerd, het oppervlak stil, de damp nauwelijks meer zichtbaar. Zijn jas hing over de rugleuning van de stoel naast hem. Zijn hoed lag ernaast. Hij had zijn stoppelbaard niet bijgehouden, niet vandaag en niet gisteren en de dag daarvoor ook niet, maar dat was geen besluit, het was de afwezigheid van een besluit, wat in zijn geval op hetzelfde neerkwam. Betty Simms had Walker’s al twaalf jaar. Ze wist wie wilde praten en wie niet, en ze wist dat de grens verschoof als je lang genoeg wachtte. Ze schonk Pratts kopje bij. Hij keek op. “Je staart naar die koffie alsof je verwacht dat hij iets terugzegt.” Pratt reageerde niet. “Weet je wat koffie zegt als je er te lang naar kijkt? Niks. Wordt alleen maar kouder.” Ze pakte de doek en veegde het aanrecht. “Maar goed. Ik heb het ook niet zo op stilzwijgers. Daar heb ik er al genoeg van in dit dorp.” Betty bleef aan de andere kant van het aanrecht staan. Ze had dingen te doen, maar deed ze niet. “Je dochter was hier gisteren,” zei ze. Pratt reageerde niet zichtbaar, zijn blik bleef bij het kopje. “Dat heb je nog niet gezegd.” “Nee,” zei ze. “Dat klopt.” Een korte stilte. “Wat deed ze hier?” vroeg hij. “Ze zocht je.” “Ik was hier niet.” “Dat heb ik haar verteld.” “En?” Betty legde het glas neer. “Ze vroeg waar je dan wel was. Ik heb gezegd dat ik dat niet wist.” “Dat was correct.” “Ze geloofde het niet.” Pratt keek voor het eerst op, niet lang, een fractie van een seconde, de blik dat een vraag stelt zonder hem te formuleren. Daarna keek hij terug naar de tafel. “Ze gelooft niet veel wat ik haar vertel,” zei hij. “Of wat anderen haar over mij vertellen. Dat is een eigenschap die ze van haar moeder heeft.” Betty vroeg of dat een verwijt was. “Een vaststelling,” zei Pratt. Betty dacht er even over na en zei dat het klonk als een compliment als je het zo zei. Pratt zweeg even. “Ja,” zei hij toen. “Dat is het ook.” Betty schonk zijn kopje opnieuw bij. Dit keer nam hij het direct op. “Ze werkt bij de schooladministratie,” zei hij, zonder dat iemand ernaar had gevraagd. “Roosters, brieven, de dingen die niemand ziet, maar die er moeten zijn.” Betty zei dat ze wist wie Nora was. Pratt knikte. “Iedereen weet hier wie iedereen is.” “Is dat erg?” vroeg Betty. “Het is een eigenschap van kleine steden.” Betty leunde met haar heup tegen het aanrecht. Ze had meer dingen te doen, maar dit gesprek was bezig ergens naartoe te gaan en ze wist wanneer ze moest wachten. “Ze is teruggekomen,” zei ze. Pratt keek naar het kopje. “Ja.” “Al acht maanden.” “Dat klopt.” “Omdat ze wilde of omdat ze vond dat het moest?” Pratt zette zijn kopje neer. “Dat verschil is kleiner dan je denkt.” Hij keek haar aan. “Ze heeft haar moeders hoofd. Ze besluit iets en dan is het besloten.” Betty droogde haar handen af en zei dat ze zo klonk. Pratt legde geld op de tafel, trok zijn jas aan, pakte zijn hoed. Bij de deur bleef hij staan zonder zich om te draaien toen Betty zijn naam zei. “Je dochter vraagt of je vanavond thuis eet. Ze heeft het me gevraagd om het door te geven.” Een korte stilte, het geluid van de straat hoorbaar door het glas. “Waarvandaan weet ze dat ik hier zou zijn?” vroeg hij. “Ze weet waar je ’s morgens bent,” zei Betty. Pratt knikte licht. “Zeg haar dat ik er zal zijn.” Hij duwde de deur open en de kou duwde terug.”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3