CONCEPT BOOK ON SADAJA
De gebroken taal
Report this book
Lucas Vermeer heeft vijftien jaar en zevenentwintig opgravingen besteed aan hetzelfde zoeken. Niet naar schatten. Naar iets wat hij niet kon benoemen — bewijs dat de doden ergens heen zijn gegaan. Graven, dacht hij, was de eerlijkste manier…
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
Lucas Vermeer heeft vijftien jaar en zevenentwintig opgravingen besteed aan hetzelfde zoeken. Niet naar schatten. Naar iets wat hij niet kon benoemen — bewijs dat de doden ergens heen zijn gegaan. Graven, dacht hij, was de eerlijkste manier om te rouwen. Irak, 1924. Op een heuvel die al drie millennia zijn geheimen bewaart, vindt hij een steen die ouder is dan elke taal die de mens zichzelf heeft geleerd. De steen is een sleutel. Lucas is de man die hem past. Maar elke keer dat hij het ding gebruikt om iemand te redden, verliest hij iets van zichzelf. Een herinnering. Een naam. Een reden om nee te zeggen. Layla schrijft op wat hij vergeet. Ze houdt zijn identiteit bij in een boekje dat langzaam te vol raakt. Yousri en Yessin zijn waterdragers op de opgraving — twee broers die op het verkeerde moment op de verkeerde plek zijn en daar nooit meer van loskomen. Als Yessin sterft, verdwijnt hij niet. Hij trekt in zijn broer. Voortaan zijn ze twee stemmen in één lichaam: apart genoeg om nog zichzelf te zijn, samen sterk genoeg om te dragen wat geen mens alleen zou overleven. Samen trekken ze door een verwoest land — langs stille dorpen, een zee die rood is geworden, en een stad die al haar bewoners heeft verloren aan een belofte van rust — naar het hart van een conflict dat begon lang voor Babylon bestond. De Gebroken Taal is een roman over identiteit als het enige wat een mens werkelijk toebehoort. Over de prijs van vrijheid. En over wat er overblijft van vier mensen als alles wat hen tot zichzelf maakte op het spel heeft gestaan.
“De gebroken taal – Het zegel van Babylon 1 Vijftien jaar, zevenentwintig opgravingen, en hij had nooit geleerd om op te houden als het donker werd. De troffel stuitte op iets wat klonk als niets. Lucas hield zijn hand stil boven de steen en tikte nog een keer. De stenen om hem heen klonken dof en vol, vier millennia aarde erachter. Deze klonk hol. In zijn borst sloeg iets aan voordat zijn verstand het had ingehaald. Hij veegde de klei uit de voeg met zijn duim. De steen was te smal, te hard gebakken, het verband klopte niet met de rij eronder. Iemand had een bladzijde uit een ouder boek gescheurd en tussen de pagina’s van een jonger boek geschoven. Dat deed je niet per ongeluk. Dat deed je om iets te gebruiken, of om iets te verbergen. Ver naar het zuiden stond rook. Een dunne bruine streep die de hele ochtend niet was weggetrokken, boven een dorp, een veld of iets wat geen naam meer had. Twee keer al had Lucas in de verte iets horen klappen wat geen donder was. Het land brandde; hij groef. Geen van beide trok zich iets van het andere aan. Khalil zat op de rand van de sleuf, voor de derde keer die ochtend. ‘Je verbrandt het daglicht, dokter.’ Lucas gaf geen antwoord. Hij legde zijn duim op de koude voeg en voelde de tocht eruit komen die er niet hoorde te zijn. ‘De mannen graven niet graag op deze heuvel.’ Khalil zakte op zijn knieën, een silhouet tegen het witte licht. ‘Ze hebben er een naam voor die ze niet hardop zeggen. Yusuf weigert onder de derde laag te gaan. Hij zegt dat de grond hier verkeerd ademt.’ ‘Grond ademt niet.’ ‘Dat zei ik ook. Toen vroeg hij waarom de honden van het kamp niet bij de heuvel komen.’ Khalil kwam overeind en klopte zijn knieën af. ‘Daar had ik geen antwoord op.’ De hond paste niet in de rust. Drie maanden had het beest tijdens het werk in dezelfde streep schaduw gelegen, half slapend, één oor op de wereld. Nu sliep hij niet. Hij lag plat, de kop laag, de oren naar voren, de blik strak op de steen die hol klonk. Daarachter bewoog iets wat hij hoorde en Lucas niet. ‘Jij ook al,’ zei Lucas. De hond keek hem aan en keek daarna weer naar de wand. Uit zijn borst kwam een laag geluid dat Lucas hem in al die maanden nog nooit had horen maken. Geen blaffen. Geen grommen. Iets daartussenin. Yusuf bleef boven aan de sleuf staan, de mand leeg aan zijn zij, met handen als wortelhout. Hij keek naar het gat in de wand, niet naar Lucas. ‘Mijn grootvader groef voor de Duitsers, verderop bij de rivier. Hij zei dat sommige deuren in de grond geen deuren zijn maar deksels. Dat je ze laat zitten.’ ‘Je grootvader heeft de halve oudheid mee opgegraven, Yusuf. De deksels inbegrepen.’ ‘En hij stierf jong en sliep slecht.’ Yusuf zette zijn mand neer. ‘De mannen werken tot vanavond. Daarna gaan we terug naar het kamp, met of zonder loon. We willen hier niet zijn als het donker wordt.’ Hij wachtte op een woord dat hem ongelijk gaf. Lucas gaf het niet. Yusuf knikte — ook dat was een antwoord — en liep terug naar de anderen. Een schaduw viel over de sleuf. Pembroke, tropenhelm tegen het licht, een telegram plat in zijn vuist. ‘Boven. In de tent. Niet voor de oren van de mannen.’ In de tent was het tien graden heter en rook het naar canvas en petroleum. Pembroke streek het telegram glad op de veldtafel, of de woorden er anders van werden. ‘De lijn naar het zuiden ligt er weer uit. Bij Hillah, voor de derde keer deze maand. De stammen langs de Eufraat hebben hun geweren uit de oorlog bewaard.’ Hij keek naar de tentopening, naar de rook in het zuiden. ‘Dat wat je daar ziet, komt dichterbij. Londen vraagt zich af of een naamloze heuvel het bewaken waard is, terwijl het land in brand staat.’ ‘Dan moet Londen ergens anders naar kijken.’ ‘Londen is mijn zorg. Kane is de jouwe.’ Pembroke tikte op het papier. ‘Kane betaalt voor vondsten, dokter. Dingen die in een vitrine passen en waar een krant een foto van wil. Liefst met zijn eigen gezicht erbij. Niet voor rapporten over baksteenformaten. Zijn geduld is op.’ ‘Kane zit duizenden kilometers ver en heeft van zijn leven geen schep aangeraakt.’ ‘Kane betaalt voor elke schep die hier de grond in gaat. De jouwe inbegrepen.’ ‘De dokter heeft gelijk dat hij voorzichtig is.’ De stem kwam uit de schaduw achter in de tent. Halloran zat in de canvasstoel, met een notitieboekje op zijn knie, waarin Lucas hem nog nooit één woord had zien schrijven. ‘Een man die graaft waar niemand anders graaft, weet meestal iets wat niemand anders weet. Laat hem graven.’ ‘En u bent?’ ‘Ik kijk toe voor meneer Kane.’ Halloran glimlachte. ‘Ik begrijp niets van oude tekens en het kan me niet schelen. Ik begrijp gezichten. Het is het enige wat ik ooit heb hoeven leren en het heeft me nooit in de steek gelaten. Uw gezicht, daarnet in de sleuf, zei dat u iets had gevonden.’ ‘Mijn gezicht zei dat het warm was.’ ‘Het is altijd warm.’ Halloran sloeg het lege boekje dicht. ‘Ik ga u niet tegenhouden. Ik ga kijken. En als er iets uit die grond komt, zorg ik dat de juiste man er als eerste zijn hand op legt.’ Buiten knarste een motor. De bevoorradingswagen kwam twee dagen te laat de helling op, een Ford die meer stof opwierp dan vooruitgang maakte. Toen hij stilstond, stapte er naast de chauffeur iemand uit die er niet hoorde te zijn. Een vrouw in stoffige reiskleren, die haar eigen tas droeg en niet wachtte tot iemand haar begroette. Één voor één hielden de mannen op de heuvel op met werken. Niet omdat ze een vrouw was. Een vreemde die niemand had aangekondigd betekende in dit land slecht nieuws. Pembroke kwam de tent uit; hij had erop gewacht. ‘Dokter Vermeer, de tolk uit Bagdad. Voor de inscripties. Mejuffrouw —’ ‘Layla. En ik ben geen tolk. Ik lees wat er hier in de grond ligt. Dat is iets anders.’ ‘Er ligt niets in de grond dan aardewerk en muren,’ zei Lucas. ‘Dan heeft Bagdad me voor niets twee dagen door een opstand heen gestuurd.’ Ze keek niet naar hem maar naar de heuvel. Haar blik gleed over de sleuven met een snelheid die niet bij een nieuwkomer paste. ‘Zijn er sterren afgebeeld? Een rij van zeven, dicht bij elkaar?’ ‘Dat is geen vraag die een archeoloog stelt.’ ‘Ik zei al dat ik dat niet ben. Geef antwoord.’ ‘Geen sterren. Een nederzettingsheuvel — aardewerk, muren, graan in verkoolde potten. Het gewone werk.’ ‘Het gewone werk,’ herhaalde ze. Voor het eerst keek ze naar hém. Het was niet de blik van iemand die net was aangekomen. Het was de blik van iemand die had verwacht hier te zijn en nog hoopte dat ze het mis had. De hond stond op. In drie maanden had hij Pembroke niet binnen een meter laten komen en Halloran helemaal niet. Nu liep hij recht op de vrouw af en drukte zijn kop tegen haar hand. Ze keek er nauwelijks van op. Ze had het verwacht — en dat beviel Lucas minder dan haar vragen. ‘Hoe diep zit u?’ ‘Twee meter. Plaatselijk drie.’ ‘En u hebt niets gevonden. Geen drempelstenen of merktekens, geen rij van zeven.’ ‘Ik vind voortdurend dingen. Alleen niet de dingen die u zoekt. Wat me doet vermoeden, is dat u beter weet wat hierin staat dan een vrouw die net is aangekomen om het te lezen.’ Iets als respect kwam in haar blik, vermengd met iets dat dichter bij medelijden lag. ‘Ik hoop oprecht dat u niets vindt, dokter. Het zou het beste zijn wat u vandaag kunt overkomen.’ ‘Mensen die dat hopen, hebben meestal een reden.’ ‘Ja. Die hebben ze.’ Misschien was het de hond, die maar niet ophield. Lucas liet hen staan en daalde af in de sleuf. ‘Dokter. Wat doet u?’ ‘Mijn werk.’ Hij tikte met de steel van de troffel tegen de steen die hol klonk. Hetzelfde antwoord, een hand lager. Een ruimte achter de wand, waar geen ruimte hoorde te zijn. Hij wrikte de bovenste steen los. Die kwam mee met een zucht. De lucht die naar buiten kwam was koud op een dag waarop niets koud kon zijn. Het was de kou van iets wat nooit warm was geweest. Ze kroop langs zijn pols omhoog en ging niet meer weg. Achter hem week de hond een paar passen achteruit en werd stil. Aan de rand van de sleuf was Halloran komen staan. Lucas voelde zijn schaduw vallen. Halloran zei niets en zijn zwijgen maakte de kou alleen maar scherper. ‘Geef me de lantaarn.’ Layla was de sleuf ingekomen, sneller dan een onwillige vrouw hoort te bewegen. Ze gaf hem de lantaarn. ‘Laat de steen zitten. Lucas.’ ‘U kent mijn voornaam.’ ‘Ik ken meer dan dat. Laat de steen zitten.’ Hij hield de lantaarn in de opening. Achter de wand zat geen vulling van puin, zoals achter een dichtgemetselde nis hoort te zitten. Er was een ruimte. Recht tegenover de opening stond een gladde plaat, bewerkt, gepolijst, met zorg dichtgemaakt. Hij liet het licht langs de naden schijnen. De specie was aan de binnenkant uitgeperst. ‘Dit is geen nis,’ zei hij. ‘Het is een deur. Iemand heeft hem van de andere kant dichtgemaakt. Van binnenuit.’ Hij liet zijn vingers over de naad glijden. Het werk was te goed voor een graf en te zorgvuldig voor haast. Iemand had hier veel tijd besteed om een deur te sluiten die nooit meer open mocht. ‘Wie metselt zichzelf in,’ zei hij zacht, ‘en doet het ook nog netjes?’ In het midden van de plaat stond één teken. Niet uitgehakt, niet geschilderd — ingebrand, of iemand het er met licht in had gezet. Toen de lantaarn erlangs streek, leek het te bewegen, een tel maar, een rilling over de steen die er niet kon zijn. Lucas’ arm deed pijn. Een doffe trek vanaf de pols omhoog, naar een plek onder zijn elleboog die hij niet had aangeraakt. ‘Vijftien jaar inscripties in vier talen die niemand meer spreekt,’ zei hij, ‘en dit ken ik niet. Het hoort nergens thuis.’ Hij kreeg het woord er met moeite uit; zijn mond was op een nieuwe manier droog. ‘U leest wat hier ligt,’ zei u. Lees dit dan. Wat staat er?’ Hij draaide zich om. Layla stond doodstil, alle kleur uit haar gezicht. Ze keek niet naar de ruimte en ook niet naar de plaat. Ze keek naar het teken en naar zijn arm, die hij vasthield zonder te weten dat hij hem vasthield. ‘Maak het dicht,’ zei ze. Haar stem was nauwelijks meer dan adem. ‘Nu. Voordat de hond gelijk krijgt.’ Tegen zonsondergang waren de gravers weg. Yusuf had woord gehouden: toen de zon de heuvel rood kleurde, pakten de mannen hun manden en hun loon en liepen in een lange stille rij terug naar het kamp aan de rivier. Geen van hen keek om. Khalil bleef en twee jongens die te jong waren om bang te zijn. Verder was er niemand meer behalve Lucas, Layla, de twee Engelsen en een gat in de grond dat hij nog niet had dichtgemaakt. De nacht kwam snel, zoals altijd in de woestijn. Het ene moment hing de hitte nog als stof in de lucht; het volgende moment was ze weg en kroop de kou over de vlakte. Bij de tenten pakten de twee Engelsen hun kisten in, methodisch, zonder haast — mannen die al wisten dat ze morgen vertrokken en alleen op de ochtend wachtten om het officieel te maken. Pembroke kwam niet naar beneden. Halloran wel, één keer, om vanaf de rand in het gat te kijken zonder iets te zeggen en toen weer weg te lopen. Lucas had het moeten dichtmaken. Dat had hij zichzelf de hele middag voorgehouden. In plaats daarvan had hij ervoor gehurkt en het getekend — plaat, teken, naad — tot het licht weg was en hij op het gevoel werkte. Boven aan de rand lag de hond. Het beest had de hele middag niet geslapen. ‘Je hebt het niet dichtgemaakt.’ Layla stond boven hem, met een deken om haar schouders tegen de kou. Hij had haar niet horen aankomen. Aan haar gezicht te zien was dat dat de bedoeling was. ‘Ik heb het getekend. Dat is niet hetzelfde.’ ‘Het is het tegenovergestelde.’ Ze kwam de sleuf in en hurkte naast hem. Een poos keken ze allebei naar het teken, dat in het lantaarnlicht dieper leek dan overdag. ‘Waarom doet een verstandig man precies datgene waarvan iedereen hem zegt dat hij het niet moet doen?’ ‘Omdat ik niet kan stoppen bij “niet doen”. Dat is mijn vak: weten waarom een deur dicht moest.’ ‘En als ik je het waarom geef?’ ‘Dan luister ik.’ Ze trok de deken strakker. ‘De mensen voor wie ik werk geloven dat sommige deuren niet zijn dichtgemetseld om ons buiten te houden. Maar om iets binnen te houden. Een deur die van binnenuit dicht is, dokter, is geen graf. Het is een cel. En de regel voor een cel is simpel: je vraagt je niet af wie erin zit. Je controleert of het slot nog werkt en je loopt door.’ ‘Dat is geen geschiedenis. Dat is bijgeloof met betere zinnen.’ ‘Dat zei ik vroeger ook. Tot ik zag wat er gebeurt met mensen die het slot opendraaien om te kijken of het bijgeloof klopt.’ Ze keek hem aan. ‘Ze krijgen nooit antwoord. Dat is het enige wat ze gemeen hebben: ze zijn er nooit lang genoeg geweest om iemand te vertellen wat ze zagen.’ Een poos zeiden ze niets. De kou kroop de sleuf in. Boven hen blafte een kamphond één keer en hield toen abrupt op. ‘Khalil zegt dat je liever met de doden praat dan met de levenden,’ zei Layla. ‘Klopt dat?’ ‘De doden vragen niets terug.’ Lucas keek naar het teken in plaats van naar haar. ‘Ik heb vier jaar aan een front gezeten waar ze ons vertelden dat de grond van ons was zodra we er genoeg mannen in hadden begraven. Toen het voorbij was, kon ik geen kamer meer in waar mensen lachten. Ik wist niet meer hoe je het doet of of de wereld heel is, als je hebt gezien waar hij breekt.’ ‘En de grond?’ ‘De grond liegt nooit. Een scherf is een scherf. Een muur staat, of hij staat niet.’ Hij zweeg even. ‘Mijn broer is aan dat front gebleven. Ze hebben hem nooit gevonden. Geen steen, geen naam, geen plek om naartoe te gaan. Ik denk dat ik daarom graaf. Ik vind altijd iemand anders. En toch blijf ik zoeken.’ Layla zei een hele tijd niets. Toen ze sprak, was het zachter. ‘Dat is het eerlijkste wat iemand me in jaren heeft verteld. En precies waarom je vannacht naar huis zou moeten gaan. Mensen die iets zoeken wat ze nooit zullen vinden, zijn de gevaarlijkste mensen om naast te staan bij een deur als deze.’ ‘Je weet veel over deuren als deze. Voor iemand die beweert alleen de verhalen te kennen.’ ‘Mijn grootmoeder kende de verhalen. Ik kende mijn grootmoeder.’ Ze keek de nacht in. ‘Ze stierf toen ik twaalf was en liet me niets na dan een taal die niemand meer spreekt en een diepe hekel aan de woorden: “niets aan de hand”. Jarenlang dacht ik dat ze gek was. Toen vond ik mijn eerste verzegelde deur. De man die hem opende leefde nog drie dagen. Sindsdien heb ik nooit meer gedacht dat ze gek was.’ ‘Wat is er met die man gebeurd?’ ‘Dat is precies de vraag die ik je probeer te besparen.’ Bij de tenten sprong een lamp aan. Lucas zag de gestalte van Halloran erlangs bewegen en even later het korte, harde knetteren van een veldzender, die tot leven kwam. ‘Dat is de tweede keer vannacht dat hij seint.’ ‘Naar Kane.’ Layla keek niet eens op. ‘Hij seinde vanmiddag al, toen jij de steen losmaakte. Wat je ook in dat gat hebt gevonden, de man die ervoor betaalt weet er nu meer van dan jij.’ ‘Ik heb nog niets gevonden.’ ‘Je hebt een verzegelde deur gevonden met een teken dat in geen enkele taal thuishoort en je hebt het getekend in plaats van dicht te maken. Voor een man als Halloran is dat geen niets. Dat is een vondst die hij kan verkopen.’ Ze gaf het schetsboek terug. ‘En je hebt geen drie dagen meer. Je hebt een nacht.’ Of hij erop had gewacht, kwam Khalil de helling af, een lantaarn voor zich uit, het gezicht van een man die slecht nieuws brengt voordat het nog slechter wordt. ‘De colonne. Pembroke heeft het me net verteld. Ze trekken zich terug naar Bagdad. Niet over drie dagen”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
AUTHOR
Meet M. da Palma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
FROM THE SAME AUTHOR
More books by M. da Palma
CONCEPT Ashcrown Boek 1
ashcrown · 1
CONCEPT DE OERKRONIEK
Kronieken · 1
CONCEPT DRAKENBLOED Boek 1
Drakenbloed · 1
CONCEPT Ashcrown Boek 2
ashcrown · 2
BETA READER DRAKENBLOED Boek 2
Drakenbloed · 2
CONCEPT KRONIEK VAN HET NOORDEN
Kronieken · 2
CONCEPT Ashcrown Boek 3
ashcrown · 3
CONCEPT DE DONDERKRONIEK
Kronieken · 3