CONCEPT BOOK ON SADAJA
PROJECT CHIMERA Boek 2
Report this book
View book
Keep me informed when this title goes on sale
Already have an account? Log in
Log in to save
Private preview on Sadaja
OVERVIEW
About the book
PREVIEW
“PROLOOG De radio was stil. Dat was wat hem het eerst opviel. Twaalf minuten geleden was er nog beweging op het oostelijk kanaal — squad een, korte commando’s, hijgende ademhalingen, een stem die targets gezicht riep en daarna iets dat een schreeuw kon zijn of een hoest, dat had hij niet kunnen onderscheiden. Daarna stilte. Tien minuten geleden was het westelijk kanaal ook stil gevallen, midden in een zin. Iemand had iets willen rapporteren en had dat niet gedaan. Hij stond op de noordelijke loopbrug van de centrale hal van de staalfabriek en hij hield zijn radio in zijn rechterhand en zijn wapen in zijn linker en hij wist niet meer welke van die twee minder waard was. Hij heette niet meer. Op zijn helm zat een nummer en op zijn borst zat een patch met drie letters en in zijn portemonnee zat een foto van een meisje met paardenstaart en een zwarte tand die niet zwart was maar bedekt met chocolade. Maria. Vier jaar. Akron. Zijn vrouw — hij wist haar naam, maar haar naam was nu niet wat in zijn keel zat. Wat in zijn keel zat was Maria. Hij keek naar beneden. De centrale hal van de staalfabriek was vier verdiepingen hoog en al decennia leeg. Het glas in de kapotte ramen was ‘s nachts grijs en het maanlicht viel in scheve banen op de betonnen vloer. De banen vielen op dingen die geen banen hoorden te raken. Lichamen. Hij telde niet. Tellen was iets voor mensen die ergens nog tijd voor hadden. Hij zag vormen die zwart waren op het beton — uniformen die nu schaduwen waren — en hij zag wat eruit zag als een arm op twee meter van een schouder die er niet meer aan zat. Hij hoorde één van de lichamen ademen. Heel zacht. Eén schop van een been dat niet meer met de rest verbonden was via wat een been met de rest verbond. Toen zag hij ze. Hij had de briefing gehad. Drie keer. De vorige week, de dag voor de inval, en die middag in de truck. Hij had het filmpje gezien — twaalf seconden, regen, Manhattan. Hij had naar de stilstaande beelden gekeken die de analist had vergroot tot ze pixels waren. Hij had gedacht dat hij wist wat hij zou tegenkomen. Dat had hij niet geweten. Het filmpje had de schaal niet. Het filmpje had de stilte niet. Het filmpje had niet gehad hoe deze drie wezens waren in een ruimte waar ze klaar waren. De grote stond in het midden van de hal. Beer-massief. Schouders zo breed dat ze niet pasten in wat een schouderframe hoorde te zijn. Vacht donker en nat van vier soorten bloed die niet meer van elkaar te scheiden waren. Zijn linkerschouder hing scheef — daar zat een gat dat tot op het bot ging waar iemand hem had geraakt met een hybride-kaliber pijl voor diegene dood was gegaan. Hij voelde het niet. Of hij voelde het wel. Maar zijn lichaam liet het niet zien. De gestreepte was op de balken. Hij hing in de constructie boven de centrale hal zoals iets dat altijd al daar had gehangen en dat ze gewoon niet hadden gezien. Acht meter boven het beton. Soepel. Geen geluid. Hij verplaatste zich van een dwarsbalk naar een verticale staander en zijn klauwen maakten geen tik op het metaal. Een vorm die geen vorm hoorde te kunnen wat hij deed. De rossige was het ergst om naar te kijken. Niet omdat ze het meest gewelddadig was. Omdat ze het meest aanwezig was. Ze liep op vier poten langs een rij lichamen en ze rook elk gezicht. Niet uit interesse. Een check. Dood. Dood. Dood. Dood. Eén stopte ze bij — een man die niet meer ademde maar wiens vinger nog naar zijn radio reikte. De vinger was twintig centimeter verwijderd van een radio die nog steeds aan stond. Ze zette één klauw op zijn pols. Ze drukte. De pols brak met een geluid dat de bewaker tot in zijn kiezen voelde. Daarna ging ze door. Dood. Hij ademde uit voor hij wist dat hij had ingehouden. Zijn hand ging naar zijn radio en zijn duim drukte het knopje in. Hij wilde iets zeggen. Hij wilde ze zijn binnen zeggen of terugtrekken of het woord dat in zijn keel zat — Maria — maar zijn keel maakte niet wat zijn hoofd wilde dat ze maakte. Hij hoorde zichzelf één klikgeluid maken. Lucht zonder geluid. Het knopje was ingedrukt en niets ging eruit. Boven hem stopte de gestreepte met klimmen. De gestreepte draaide zijn kop. Langzaam. Niet snel. Niet jagend. Wetende. Hij keek dwars door de hal naar de loopbrug aan de noordkant, recht in de bewakers ogen, twintig meter ruimte ertussen die geen ruimte was. Ambergouden ogen. Niet de ogen van een tijger in een dierentuin. Ogen die kijken. Ogen die nu zagen op een manier waarop hij in zijn hele leven nog niet was gezien. Hij stond stil. De gestreepte bewoog niet. Hij hoefde niet. Aan de overkant veranderde er iets in de lucht en dan was de grote — de beer — niet meer in het midden van de hal. Hij was eronder. Onder de loopbrug van de bewaker. De bewaker hoorde zijn eigen loopbrug kreunen. Een lang, naar geluid dat metaal maakt als metaal zich realiseert dat het niet meer is wat het was. Een bout brak. Twee bouten. Een rail boog. De vloer onder zijn voeten bewoog niet — kantelde. Hij viel. Het was niet zo lang als films suggereren. Hij had eens gelezen dat een val van vier verdiepingen anderhalf tot twee seconden duurde en hij had gedacht dat het langer moest aanvoelen. Het voelde niet langer. Het voelde precies twee seconden. In die twee seconden dacht hij aan zijn dochter Maria die op zaterdag pannenkoeken at met aardbeienjam en aan de boodschappentas die in zijn auto stond op de parkeerplaats van de fabriek met een pak melk erin. De melk zou zuur worden voor iemand de auto vond. Hij dacht aan dat. Twee seconden lang. En toen raakte hij beton. • Marcus stond tussen de balken die hij net naar beneden had getrokken. Hij ademde. Niet rustig. Het soort ademhaling waarbij elke uitademing een geluid maakte dat in zijn keel rommelde voor het naar buiten kwam. Hij rook mensenbloed op zichzelf en hij rook dat hij erin stond. Op zijn klauwen. Op de vacht van zijn onderarmen. In de groeven tussen zijn vingers die geen vingers waren. Hij keek naar zijn handen. Donker. Vier soorten bloed dat niet meer van elkaar te scheiden was. Hij keek omhoog. Op het beton naast hem lag de bewaker van de loopbrug. Hij lag op een manier waarop een lichaam niet hoorde te liggen. Marcus had hem niet aangeraakt. Marcus had alleen de loopbrug naar beneden getrokken. De bewaker had de rest zelf gedaan. Marcus keek naar de bewaker en zijn keel maakte een geluid dat hij niet wilde maken. Een snurkend, laag, hijgend geluid. Het soort geluid dat zijn lichaam maakte en niet zijn hoofd. Hij wist niet of hij walgde of dat hij iets anders deed. Hij wist niet of die twee dingen hetzelfde waren of niet en op dit moment in deze hal met deze bewaker tussen zijn voeten was hij niet zeker of het verschil ertoe deed. Hij voelde Elena voor hij haar zag. Ze kwam langs zijn rechterzij en haar pels streek tegen zijn dij. Ze stopte. Ze zette haar snuit tegen zijn schouder — kort, lichaamswarm, een aanraking die zei: ik ben hier, je staat nog, we leven. Marcus’ keel maakte het geluid weer. Elena duwde harder met haar snuit. Hij ademde dieper. Het geluid stopte. Boven hem klonk een tik. Li Wei kwam over een dwarsbalk gelopen. Acht meter hoog. Zijn klauwen maakten geen tik op het metaal — de tik die Marcus had gehoord was de tik van een glassplinter die Li Wei voor zich uit schopte voordat hij sprong. Hij sprong. Vier meter. Zonder geluid. Hij landde naast hen op het beton en zijn knieën bogen één keer en hij stond rechtop en hij strekte zijn rug uit met een hoorbare ts tussen zijn tanden. Li Wei keek naar de bewaker op het beton. Hij keek naar Marcus. Hij keek naar Elena. Hij maakte een geluid dat geen woord was maar dat de andere twee verstonden zoals dieren elkaar verstaan zonder grammatica. Klaar? Marcus knikte. Eén keer. Elena richtte zich op tot tweebenig. Ze was altijd de eerste die terug kon. De kalmste van de drie. Haar wolvinnenkop verkortte. Haar pels trok terug. Het kostte vijf seconden. Ze was gewend te transformeren in stilte. Ze ademde uit. Ze stopte. Iets in de hal was veranderd. Niet hoorbaar. Iets in de druk. Marcus voelde het in zijn vacht — een verschuiving alsof iemand een deur ergens in een ander gebouw had geopend en de lucht in deze hal het had geweten voor hij het wist. Li Wei voelde het in zijn snorharen die hij niet had voor zes maanden geleden en die nu wisten wat zijn ogen niet wisten. Elena, halverwege transformatie, voelde het het scherpst. Ze stopte met terugschakelen. Ze keerde. Haar lichaam gaf de transformatie terug op zoals iemand een ademhaling weggeeft als er een klap komt. Binnen twee seconden was ze weer volledig wolvin. Marcus’ keel maakte een nieuw geluid. Geen gegrom. Iets ouder. Iets uit het gedeelte van zijn brein dat hij niet kende. Aan de noordkant van de hal — daar waar geen ingang zat, daar waar alleen een kapotte ventilatieschacht hing op vier meter hoogte boven het beton — was tien seconden geleden niets. Nu wel. Een hand kwam uit de schacht. Niet een klauw. Niet een poot. Een hand. Gepantserd. Vingers gepantserd in zwarte plaatjes die over elkaar schoven als de vingers bogen. De hand greep de rand van de schacht en droeg gewicht. Daarachter — een schouder, ook pantser. Een hoofd dat menselijk genoeg was om naar te kijken en dat is precies wat Marcus deed. Hij keek. De vorm liet zich uit de schacht zakken. Twee meter eerst, hangend aan één arm. Een staart kwam achter hem aan — gesegmenteerd, drie meter lang, balancerend in de lucht achter zijn rug. Daarna liet hij los. Hij viel vier meter en landde op twee voeten. Geen geluid. Het pantser absorbeerde de klap. Zijn knieën bogen één keer. Hij stond rechtop. Hij was bijna twee meter. Bipedaal. Twee armen en twee benen — maar de proporties klopten niet helemaal. Zijn rechterarm eindigde niet in een hand. Daar zat een schaar. Zwart gepantserd, gesegmenteerd, gesloten op dit moment, op zijn lichaam gevouwen alsof hij een gebroken pols droeg. Zijn linkerhand was een hand — vingers met klauwen, maar vingers, gepantserd in dezelfde zwarte plaatjes die zijn schouders en onderarmen bedekten. Borstplaat. Schouderpantser. Rug. De gesegmenteerde platen liepen door naar zijn middel waar het pantser zich uitstrekte en verlengde — daar begon de staart. Niet aan zijn ruggengraat. Aan zijn staartbeen. Gesegmenteerd over drie meter. Eindigend in een angel die op dit moment helder amberkleurig droop van iets dat geen bloed was. Zijn gezicht was grotendeels menselijk. Dat was wat hem het ergst maakte om naar te kijken. Gele iris in zwarte sclera. Een kaak die gepantserd was langs de rand maar zijn lippen waren lippen. Hij ademde door zijn neus. Hij had haar — donker, kort, dat in zijn ogen viel als zijn hoofd boog. Hij was — onder alles — een jongen. Zijn pantser glansde. Niet van gebruik. Van nieuwheid. Eerste keer naar buiten. Geen geluid. Geen aankondiging. Geen Vargos die monoloog hield. Geen briefing, geen exosuit, geen leger erachter. Eén ding tussen hen en de uitgang. Een jongen in pantser. Met een staart die droop. Marcus’ lichaam stond op stille brand. Elena was wolvin. Li Wei zakte door zijn knieën, klaar om te springen. De jongen deed één stap naar voren. Eén stap. Niet meer. Hij mat ze. • Vier dagen eerder.”
BOOK EXTRAS
Artwork & posters
AUTHOR
Meet mdapalma
READER RESPONSE
Reviews
Reader reviews are published after Sadaja moderation.
—
☆☆☆☆☆
Be the first reader to review this book on Sadaja.
No reviews yet.
Scan readers can leave the first review below. It will appear after moderation.
SERIES